R EL I C TA M O N O GR A F IEËN 16 ARCHEOLOGIE, MONUMENTEN- & L ANDSCHAPSONDERZOEK IN VL A ANDEREN Archeologie en geschiedenis van een middeleeuwse woonwijk onder de Hopmarkt te Aalst - koen de groote & jan moens (red.) Archeologie en geschiedenis van een middeleeuwse woonwijk onder de Hopmarkt te Aalst Relicta Monografieën 16 Archeologie, Monumenten- en Landschapsonderzoek in Vlaanderen Heritage Research in Flanders Brussel 2018 Archeologie en geschiedenis van een middeleeuwse woonwijk onder de Hopmarkt te Aalst Koen De Groote & Jan Moens (red.) COLOFON Relicta Monografieën 16 Archeologie, Monumenten- en Landschapsonderzoek in Vlaanderen Redactie Koen De Groote & Jan Moens Auteurs Luk Beeckmans, Mathieu Boudin, Brigitte Cooremans, Frans De Buyser, Koen Deforce, Koen De Groote, Guy De Mulder, Anton Ervynck, An Lentacker, Jan Moens, Wim Van Neer, Wilfried Vernaeve Lay-out & druk Peeters, Herent, Sylvia Mazereel Illustraties Alex Dallemagne, Hans Denis, Sylvia Mazereel, Jan Moens, Kris Vandevorst, Marc Van Meenen Omslagillustratie voorkant: De opgravingsvakken VII en VIII tijdens het onderzoek op de Hopmarkt in 2005. De donkere vullingslagen van de laatmiddel- eeuwse drenkpoel tekenen zich duidelijk af. achterkant: Vrijleggen van het skelet van een rund uit een 14de-eeuwse kadaverbegraving. Een uitgave van het agentschap Onroerend Erfgoed (OE) Wetenschappelijke instelling van de Vlaamse Overheid Beleidsdomein Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed Herman Teirlinckgebouw, Havenlaan 88 bus 5, 1000 Brussel. Tel.: 02/553 16 50 Fax: 02/553 16 55

[email protected]

www.onroerenderfgoed.be Verantwoordelijke uitgever: Sonja Vanblaere Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, ­fotocopie, microfilm of op welke wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Copyright reserved. No part of this publication may be reproduced in any form, by print, photoprint, microfilm or any other means ­without written permission from the publisher. © Onroerend Erfgoed, B-1000 Brussel (tenzij anders vermeld - except stated otherwise) - 2018. ISSN 2030-9910 ISBN 9789492771117 D/2018/13.729/3 Inhoud Voorwoord 9 Algemene inleiding 11 Deel I Wonen en leven aan de Veemarkt 13 A Historische bronnen 15 Koen De Groote, Jan Moens en Wilfried Vernaeve 1 Inleiding 15 2 De bewoning aan de Veemarkt 15 3 Het engienhuus 19 4 ‘Den berch metten wateren ende ommegracht’ 20 5 De drenkpoel en het pillorijn 21 B Occupatiegeschiedenis 25 1 De prestedelijke fase 25 Koen De Groote & Guy De Mulder 1.1 Inleiding 25 1.2 De premiddeleeuwse periode 25 1.3 De vroege en volle middeleeuwen 32 2 De 13de-eeuwse occupatie 37 Koen De Groote 2.1 Inleiding 37 2.2 Laatmiddeleeuws akkerland 37 2.3 De 13de-eeuwse leemwinningskuilen 37 2.4 Overige kuilen 42 2.5 Een waterput op de Veemarkt? 42 2.6 Besluit 13de-eeuwse occupatie 42 3 De laatmiddeleeuwse bewoning 45 Koen De Groote en Jan Moens 3.1 Inleiding 45 3.2 De gebouwen 45 3.3 De erven en achtererven 58 3.4 ‘Den Berch metten wateren ende ommegracht’ 75 3.5 Synthese: de bewoning aan de Veemarkt in de 14de en de 15de eeuw 79 4 De Veemarkt en de drenkpoel 81 Koen De Groote 4.1 Inleiding 81 4.2 De drenkpoel 81 4.3 Overige sporen op de Veemarkt 92 C De vondsten 93 1 Inleiding 93 2 Laatmiddeleeuws aardewerk 95 Koen De Groote 2.1 Typochronologie van het laatmiddeleeuwse lokale aardewerk op basis van de contexten op de Hopmarkt 95 2.2 Lokaal of regionaal: het aardewerk in rode en witte en in lichtoranje klei 168 2.3 Importaardewerk 172 2.4 De aardewerkconsumptie op de Hopmarkt en een vergelijking met de omliggende gebieden 188 3 Glas 197 Koen De Groote 4 Metaal 205 Jan Moens 5 Munten, rekenpenningen en loden penningen 245 Frans De Buyser en Luk Beeckmans 6 Leer 259 Jan Moens 7 Overige voorwerpen 285 Jan Moens 7.1 Inleiding 285 7.2 Houten voorwerpen 285 7.3 Voorwerpen uit dierlijk materiaal 289 7.4 Voorwerpen in natuursteen 293 7.5 Voorwerpen uit herbruikte bouwceramiek 294 7.6 Een hoofdje in witbakkende klei 297 7.7 Een kraal in glaspasta 298 8 Dierlijke resten 299 An Lentacker, Anton Ervynck en Wim Van Neer 8.1 Inleiding 299 8.2 Krengbegravingen 299 8.3 Beerstructuren op het erf van de kruisboogmaker 304 8.4 De drenkpoel 322 8.5 Conclusie 348 9 Zaden en vruchten 349 Brigitte Cooremans 10 Pollen 359 Koen Deforce 11 Hout en houtskool 363 Koen Deforce 7 D Synthese en besluit 369 Koen De Groote, Jan Moens en Anton Ervynck 1 Grootschalige opgravingen in een historische stadskern 369 2 De Hopmarkt door de eeuwen heen: een overzicht 369 3 De studie van de vondsten 371 DEEL II Daer nu de boochmakere up woendt. Geschiedenis en archeologie van Christoffels Jans, kruisboogmaker aan de Veemarkt te Aalst (1489-1498) 373 A Inleiding 375 B Historische gegevens over de Aalsterse kruisboogmakers 377 Koen De Groote en Wilfried Vernaeve 1 Inleiding 377 2 Het Sint-Jorisgilde 377 3 De kruisboogmakers van Aalst 379 4 Christoffels Jans, kruisboogmaker aan de Veemarkt 381 5 Besluit 381 C Het ambacht van de kruisboogmaker 383 Jan Moens en Wilfried Vernaeve 1 Inleiding 383 2 Een beknopte geschiedenis van de kruisboog 383 3 De hout-, composiet- en metaalkruisboog 384 4 Technische opbouw van de composietkruisboog 384 5 Bouten of kruisboogpijlen 389 6 Het kruisboogmakersatelier: grondstoffen en gereedschap 390 7 Matthys Bolder de(n) boghemak(er) 392 D Archeologische sporen en resten 393 Koen De Groote, Jan Moens, Anton Ervynck, Koen Deforce en Mathieu Boudin 1 Het gebouw en de erfstructuren 393 2 De beercontexten gelinkt aan de kruisboogmaker 393 3 De vondsten uit de beerstructuren 396 4 Overige vondsten in verband met het kruisboogmakersambacht 404 5 De kruisboogfragmenten, het productieafval en de bouten 406 E Christoffels Jans, wonen, leven en werken aan de Veemarkt: synthese en besluit 421 Koen De Groote, Jan Moens en Anton Ervynck 1 Het Sint-Jorisgilde en zijn kruisboogmaker 421 2 Materiële cultuur, welstand en status 421 3 Het ambacht 422 4 Algemeen besluit: belang van dit onderzoek 423 8 Summary 457 Bibliografie 431 DEEL III Bijlagen: platen, inventarissen 457 Bijlage 1 Alle profielen en coupes, gegroepeerd per vak 461 Bijlage 2 Inventaris van alle vondsten (met uitzondering van de poel) 487 Bijlage 3 Inventaris van alle vondsten afkomstig uit de drenkpoel 499 Bijlage 4 Kwantificatietabellen van de aardewerkcontexten 510 Bijlage 5 Inventaris van het afgebeelde aardewerk 523 Bijlage 6 Tekeningen van het bestudeerde aardewerk 555 Bijlage 7 Overzichtstabellen met de resultaten van het onderzoek van zaden en vruchten 628 Bijlage 8 Overzichtstabel met de resultaten van het palynologisch onderzoek 657 Bijlage 9 Inventaris van alle kruisboogonderdelen, halffabricaten en afvalproducten uit hertshoorn 660 Glas 197 C De vondsten 3 Glas Koen De Groote 3.1 Inleiding sensemble aangetroffen in beerput IV/E106, waarvan een deel De hoeveelheid glasvondsten uit middeleeuwse contexten is heel echter verloren gegaan is bij de vondstverwerking. Zeker is beperkt op drie beerstructuren na. Deze povere hoeveelheid dat deze beerput een complete beker in varenglas bevatte. In de heeft grotendeels te maken met de nefaste bewaringscondities opgravingsrapporten staat echter ook een kleine, niet-gekwan- die voor de meeste contexten golden454. Laatmiddeleeuws glas in tificeerde hoeveelheid woudglas vermeld dat echter niet meer in onze regio’s heeft steeds potas als vloeimiddel455, zoals bij het het depot terug gevonden werd. Mogelijk werd het verkeerd groene woudglas en het min of meer kleurloze varenglas, glas- gelabeld. soorten die door deze samenstelling heel gevoelig zijn voor cor- rosie en degeneratie456. Droge en weinig of niet humeuze omge- 3.2.2 Beerput XIVB/A6 vingen zoals in de meeste kuilen op de Hopmarkt zorgen ervoor dat het glas ongeveer volledig ontbindt. Daarnaast zijn er de bij- 3.2.2.1 Samenstelling en bewaring zondere contexten zoals de poel, met zijn afwisselende natte en droge condities, en vullingspakketten met en zonder puin. Uit de gebruiksvulling van de beerput werden in totaal 269 glas- Het betreft steeds wisselende bodemomstandigheden die even- scherven gerecupereerd, waarvan 142 in groenkleurig woudglas eens voor een zeer slechte bewaring van glas zorgen. Enkel meer en 129 in min of meer kleurloos varenglas457 (tabel 40). De bewa- stabiele en vochtige contexten, zoals de drie beerstructuren ring van het glas is redelijk, maar varieerde nogal sterk naar­ uit de late 15de eeuw, hebben grote en beter bewaarde glasensem- gelang de positie binnen de beerlagen. Op plaatsen waar wat bles opgeleverd. Eerst zullen de goed bewaarde ensembles ­puinig materiaal aanwezig was of in de overgangszone met de ­besproken worden waarna een kort overzicht volgt van de ove- bovenliggende dichtwerpingslagen was de aantasting groter. rige glasvondsten. Ook de kwaliteit van het glas zelf bepaalde ten dele de mate van bewaring. Hierbij valt het op dat het groene woudglas veel ster- ker aan aantasting onderhevig is dan het kleurloze varenglas. 3.2 Het glas uit structuren gerelateerd aan de Met andere woorden, zowel de samenstelling van het glas zelf, woning van de kruisboogmaker zijn herkomst en de aldaar gebruikte productietechnieken als de bodemomstandigheden vormen gezamenlijke factoren die 3.2.1 Inleiding de bewaringstoestand van elk individueel stuk bepalen458. Op het erf achter de woning van de kruisboogmaker zijn vier beerstructuren aangetroffen die allemaal relatief goed bewaard Opvallend is dat de meeste scherven tot een welbepaald individu glas bevatten. De kleine en slechts gedeeltelijk opgegraven beer- teruggebracht konden worden. Van de 269 scherven zijn er 191 kuil XIV/I5 bevatte enkel de bodem van een beker. De grootste (71 %) die zeker tot één van de 23 glazen voorwerpen behoren. en best bewaarde context is beerput XIVB/A6, die een heel Dit cijfer zal in realiteit nog hoger liggen, gezien het feit dat ver- ­gevarieerd ensemble van 269 glasfragmenten heeft opgeleverd, der puzzelen niet mogelijk was bij de overblijvende scherven, behorende tot minstens 23 exemplaren. Het tweede grootste enerzijds door hun sterke fragmentatiegraad en anderzijds ­ensemble is afkomstig van beerkuil I/B40, bestaande uit 131 door de sterke corrosie op een deel van de woudglasscherven. scherven van minstens 8 exemplaren. Ten slotte is een klein gla- De meeste glazen waren dus volledig of grotendeels in de put 454 Davison 2003, 169-198; Caluwé et al. 2003, 456 Caluwé et al. 2003, 6-7; Henkes 1994, 14. 458 De Groote et al. 2004a, 344 en de daar ver- Henkes 1994, 13-17. 457 Henkes 1994, 14. melde literatuur. 455 Davison 2003, 75. 198 k. de groote Tabel 40 Technisch en typologisch overzicht van de glasvondsten uit beerput XIVB/A6. Technological and typological overview of the glass finds from cesspit XIVB/A6. maatverh. inv.nr. glastype vormtype MAE n kleur tekening diam/H 05AAHOP woudglas Maigelein 1 7 86/39 blauwgroen 1981 fig. 161: 1 woudglas Maigelein 1 7 85/39 blauwgroen 1981 fig. 161: 2 woudglas Maigelein 1 4 90/- donkergroen 1981 - woudglas Maigelein 1 1 donkergroen 1981 - woudglas Maigelein 1 1 lichtgroen 1981 - woudglas Maigelein 1 1 75/33 lichtgroen 1981 - woudglas Maigelbecher 1 7 64/46 lichtgroen 1986 fig. 161: 3 woudglas Maigelbecher 1 13 85/57 donkergroen 1971 fig. 161: 4 woudglas Maigelbecher 1 12 84/65 lichtgroen 1971, 1981, 1998 fig. 161: 5 woudglas Maigelbecher 1 5 75/- donkergroen 1981 - woudglas Maigelbecher 1 6 76/66 donkergroen 1996 fig. 161: 6 woudglas Maigelbecher 1 6 87/80 donkergroen 1996 fig. 161: 7 woudglas Maigelbecher 2 2 donkergroen 1981 - woudglas Maigelbecher 1 1 blauwgroen 1981 - woudglas Maigelbecher 1 1 donkergroen 1982 - woudglas Maigelbecher, achtkantig 1 10 72/72 lichtgroen 1981 fig. 161: 8 woudglas scherven 0 58 groen - - varenglas Ribbeker 1 13 78/73 licht rozebruin 1981 fig. 161: 9 varenglas Ribbeker 1 8 licht rozebruin 1970 - varenglas Ribbeker 0 2 kleurloos 1996 - varenglas Knotsbeker 1 42 kleurloos 1981 fig. 161: 10 varenglas Voetbeker 1 14 83/+-125 kleurloos/wit 1970 fig. 161: 11 varenglas Beker op voet 1 13 kleurloos/wit 1970 fig. 161: 12 varenglas fles/karaf? 1 10 kleurloos 1983 fig. 161: 13 varenglas scherven 0 22 kleurloos - - varenglas oor 0 1 kleurloos 1981 fig. 161: 14 varenglas fragm. met glasdraad 0 1 kleurloos 1981 - varenglas oor met glasdraad 0 1 kleurloos 1981 fig. 161: 15 MAE n totaal woudglas 17 - 74,9 % 142 - 52,7 % totaal varenglas 6 - 26,1 % 127 - 47,3 % algemeen totaal 23 - 100 % 269 - 100 % Glas 199 3.2.2.4 Varenglas aanwezig, een vaststelling die ook voor het aardewerk uit­ context XIVB/A6 gemaakt is. De tellingen van het minimaal Het kwalitatief betere varenglas is in de beerput van de kruis- aantal exemplaren is gebaseerd op de aanwezigheid van bodem- boogmaker met minimum 6 exemplaren vertegenwoordigd, fragmenten met pointilmerk. waaronder een fles of karaf en drie types drinkglazen: twee of drie ribbekers, een knotsbeker en twee voetbekers. De ribbeker is een in een vorm geblazen drinkglas dat zijn oorsprong reeds 3.2.2.2 Glassoorten kent in de loop van de 14de eeuw, en dat vooral populair is in de Zoals reeds vermeld zijn er twee glassoorten in de context aan- late 15de en vroege 16de eeuw467. Tegen het einde van de 16de wezig, elk met een eigen vormtypologie. Enerzijds is er het groe- eeuw is de ribbeker volledig verdwenen. De Aalsterse exempla- ne glas in de Duitse woudglastraditie, dat vooral in de bosrijke ren zijn in een kleurloos varenglas met een lichte rozebruine tint, gebieden van Duitsland en ook in oostelijk België geproduceerd wat vooral in de dikkere ribbels opvalt. De tot 80 mm hoge min werd459. Anderzijds is er het min of meer kleurloze varenglas, of meer cilindrische glazen hebben doorgaans 9 ribben, die eerder als Franse traditie beschouwd, dat fijner en van een betere ­echter van lengte variëren van 35 tot 50 mm (fig. 161: 9). Twee kwaliteit is. Het werd geproduceerd in Noord-Frankrijk en de losse wandfragmenten met rib zijn op basis van de volledig Zuidelijke Nederlanden, onder meer in Henegouwen460. ­heldere glaskleur mogelijk van een derde ribbeker afkomstig. De voetbeker is een type drinkglas dat op een bijzondere wijze eveneens uit één glasbel vervaardigd werd. De voet werd gecre- 3.2.2.3 Woudglas ëerd door een ingesnoerd gedeelte van de glasbel in te vouwen, De beerput bevatte in totaal minstens 17 drinkglazen in groen- waardoor de voet de kenmerkende dubbelwandige vorm kleurig woudglas, behorende tot twee vormtypes: de Maigelein kreeg468. Blijkbaar was de variatie aan types veel groter bij deze (6 exemplaren) en de Maigelbecher (11 exemplaren). Deze malge- drinkglazen, want in de beerput zijn eigenlijk drie verschillende vormde, eendelige bekers met een reliëfpatroon waren zeer types aangetroffen: de knotsbeker, de gewone in reliëf geblazen ­populair. De Maigelein is een lage bekervorm, namelijk een voetbeker en de gladde beker op geconstrueerde voet. Het gaat drinknap met opgebolde ziel. De exemplaren uit deze beerput duidelijk om drinkglas van hoge kwaliteit, wat zowel blijkt zijn steeds versierd met een gekruist ribbelpatroon (fig. 161: uit de zuiverheid van het glas, de perfecte transparantie zonder 1-2)461. De Maigelbecher is met drie varianten aanwezig. De enige andere kleurtint, de complexe opbouw als de aanwezigheid ­belangrijkste groep met 7 exemplaren is de wat lagere convexe of van decoratieaccenten met glasdraad of witte email. tonvormige beker met hoog opgestoken ziel, eveneens steeds met een gekruist ribbelpatroon (fig. 161: 3-5)462. De hoogte varieert De knotsbeker is een Duitse vorm, ook wel gekend als Keulen- tussen 46 en 60 mm. Deze tonvormige Maigelbecher is eigenlijk beker, die zowel in het groen getinte woudglas als in het transpa- een vorm tussen de Maigelein en het tweede type Maigel­becher463, rante varenglas voorkomt469. Dit exemplaar uit Aalst valt op een conisch hoog type met zeer hoog opgestoken ziel (fig. 161: door de hoge zuiverheid en de dunwandigheid van het transpa- 6-7)464. De conische Maigelbecher is met 3 exemplaren aanwezig, rante glas. Het betreft een groot type van ongeveer 30 cm hoog eveneens steeds met gekruist ribbelpatroon. Het laatste type waarvan het bovendeel in een verticaal ribbelreliëf geblazen is, Maichelbecher is een achtkantige beker met een getorst ribbel­ dat ongeveer halverwege afgeboord is door een verticale trans- patroon (fig. 161: 8)465. De Maigelein en de Maigelbecher zijn zeer parante gegolfde glasdraad (fig. 161: 10). De onderliggende algemeen voorkomende bekertypes. Ze verschijnen rond 1400 schacht is volledig glad en rust op een zorgvuldig ingevouwen en blijven populair tot in de eerste helft van de 16de eeuw466. voet. De herkomst van deze fraaie beker moet gezien het fijne en heldere glas in de Zuidelijke Nederlanden of Noord-Frankrijk De meeste fragmenten van de 58 overige scherven behoren ook gezocht worden. Knotsbekers duiken voor het eerst op in de late tot één van de bovenstaande vormen, het merendeel vertoont een 15de eeuw en zijn tegen eind 16de eeuw terug verdwenen. reliëfversiering. In tegenstelling tot beerkuil I/B40 (zie verder) bevatte deze beerkuil geen fragmenten van noppenbekers. Ten De twee andere drinkglazen in varenglas zijn eerder Franse slotte is er nog de opvallende aanwezigheid van een groene dikke ­t ypes. Eén exemplaar is een voetbeker, van het gebruikelijke type gebogen glasdraad, die als versiering omheen een smallere vorm met ingevouwen voet en een cuppa met een in mal geblazen gezeten kan hebben, of deel kan uitgemaakt hebben van een kruisvormig reliëf (fig. 161: 11). Opvallend is dat de rand is afge- flesrand. werkt met een witte emaildraad. Vergelijkbare voetbekers in transparant varenglas worden niet zo vaak aangetroffen in de 459 Henkes 1994, 51, 54-55. 463 Vaak worden ze onder de Maigelein geplaatst, 467 Henkes 1994, 40-41, 93-95; De Groote et al. 460 Henkes 1994, 51, 96-97; Veeckman 1996, 17. zie bv. Stroobants & Balthau 1991. 2004a, 345-346, fig. 57: 1-2; Veeckman 1996, 461 Henkes 1994, fig. 14.1; De Groote et al. 2004a, 464 Henkes 1994, fig. 14.2; De Groote et al. 2004a, 32 cat. 14. fig. 57: 15-17; Vandenberghe 1982, 135, fig. 2: 13-14; fig. 57: 7-12; Veeckman 1996, 28, cat. 1; Stroobants 468 Henkes 1994, 96. Stroobants & Balthau 1991, fig. 19-22. & Balthau 1991, fig. 31-36. 469 Henkes 1994, 84-88; Veeckman 1996, 17, fig. 4 462 De Groote et al. 2004a, fig. 56 en 57: 6; 465 Henkes 1994, fig. 14.3; Caluwé et al. 2003, en cat. 10-11; Steppuhn 2016, 70-78, Abb. 133-143. ­Kottman 1996, 75, cat. 71-73; Stroobants & Balthau 60-61, fig. 41: cat. 17. 1991, fig. 23-26. 466 Henkes 1994, 54-55. 200 k. de groote Fig. 161    Glas uit beerput XIVB/A6 (1-15) en beerput IV/E106 (16). Schaal 1:2. Glass from cesspit XIVB/A6 (1-15) and cesspit IV/E106 (16). Scale 1:2. 1 2 3 4 5 6 7 12 8 9 15 13 14 0 10 5cm 11 16 Glas 201 Zuidelijke Nederlanden470. Het tweede exemplaar is een glad- Naast deze vormen zijn er nog een 24-tal niet gedetermineerde wandige beker waarvan de voet echter niet ingevouwen is. Het scherven in transparant glas aanwezig, waarvan een deel zeker gaat in feite om een uit één glasbel geblazen gladde beker met tot de hierboven beschreven vormen zullen behoord hebben. Een opgebolde ziel die gemonteerd is op een aparte voet, bestaande bijzondere scherf is een klein versierd fragment met een getorste uit een transparante glasdraad van 6 windingen hoog en steu- dubbele glasdraad. Daarnaast is er een plat oorfragment dat nend op een dikke gegolfde glasdraad (fig. 161: 12). Deze beker is ­mogelijk deel uitgemaakt heeft van een in twee of meer delen tevens versierd met witte email, dat zowel in een fijne lijn op de gemonteerd oor, afkomstig van een met gegolfde glasdraad rand is aangebracht als in een spiraalvormige decoratie voor- ­versierd recipiënt (fig. 161: 15). Het is echter ook niet uitgesloten komt op de bodem en in een vedermotief vanaf de overgang met dat het van een bekervorm afkomstig is478. de wand. Dit type beker op voet is algemeen zeer uitzonderlijk voor de 15de of de 16de eeuw471. De enige gekende vergelijkbare 3.2.3 Beerkuil I/B40 voorbeelden van gladwandige bekers op een glasdraadvoet uit de Zuidelijke Nederlanden vertonen steeds vedermotieven Uit de onderste beerlens van de beerkuil werden 131 glasscherven in witte email op de wand, zoals een exemplaar uit de Zwijveke gerecupereerd, alle in groenkleurig woudglas, en uit het bovenste abdij te Dendermonde472, twee uit de Ter Duinenabdij te Kok­ beerlaagrestant drie scherfjes eveneens in woudglas (tabel 41). sijde473 en een vondst te Mechelen474. Ze worden steeds in de eer- De meeste fragmenten komen uit de zeefstalen, en wegens de ste helft van de 16de eeuw gedateerd475. soms zeer grote fragmentatie zijn de talrijke glasscherven en -schilfers kleiner dan 1 cm² niet meegeteld. De bewaring van het Ten slotte zijn er nog twee aparte grote fragmenten die mogelijk glas is matig tot slecht, maar varieerde nogal sterk naargelang deel uitgemaakt hebben van dezelfde vorm (fig. 161: 13-14). Ener- de positie binnen de laag. Vooral in de overgangszones met de zijds gaat het om een grote bodem met opgebolde ziel en een di- boven- en onderliggende vullingen met veel puinig materiaal ameter van ongeveer 8,5 cm, die gevormd is in een mal met een was de aantasting groot. lineair lijnpatroon, waarvan de aanzet zich halverwege de ziel situeert (fig. 161: 13). Dergelijke versierde bodems komen voor bij In tegenstelling tot de glascollectie uit beerput IVB/A6 is het karaffen en bij kleine flessen476. Een bandvormig oor, waarvan aantal scherven dat tot een welbepaald individu kan terugge- op de bovenzijde sporen van de aanhechting op een dunne glas- bracht worden vrij klein. Dat heeft ten dele zeker te maken met wand zichtbaar zijn, is eerder van een karaf of kan afkomstig (fig. de aard van het gebruikspakket, dat dun, compact en vrij droog 161: 14). Indien deze fragmenten van hetzelfde recipiënt afkom- was. Dat wordt onder meer aangetoond door de sterkere frag- stig zouden zijn, kan het op basis van vergelijkingsmateriaal uit mentatie van het aanwezige glas en door de grotere hiaten in de deze periode gaan om een kan- of karafvorm met een bolvormig individueel te herkennen glazen. Slechts twee exemplaren zijn lichaam, versierd met een al dan niet getorste reliëf, en een lange archeologisch volledig, met meer dan de helft van de vorm aan- smalle hals477. wezig. Van vier andere herkenbare exemplaren zijn slechts een Tabel 41 Technisch en typologisch overzicht van de glasvondsten uit beerput I/B40. Technological and typological overview of the glass finds from cesspit I/B40. maatverh. inv.nr. glastype vormtype MAE n kleur tekening diam/H 05AAHOP woudglas Maigelein 1 10 88/43 blauwgroen 4 - woudglas Maigelein 1 1 82 donkergroen 4 - woudglas Maigelein 1 3 groen 4 - woudglas Maigelbecher 1 6 79/64 groen 4 - woudglas Maigelbecher 1 3 groen 4 - woudglas Krautstrunk 1 7 groen 4 - woudglas Krautstrunk 1 6   donkergroen 4 - woudglas Beker onbepaald 1 16 groen 4 - woudglas Beker onbepaald 0 76 groen 4 - woudglas Beker onbepaald 0 3 groen 18 - totaal woudglas 8 131 470 Caluwé et al. 2007, 93-94; Henkes 1994, 97-98. 474 Vandenberghe 1982, fig. 140: 37, 40. 477 Henkes 1994, 9, Afb. 8c, cat. 26.8; Caluwé 471 Henkes 1994, 53. 475 Henkes 1994, cat. 13.3. 2009, fig. 1: d. 472 Stroobants & Balthau 1991, 78-79, 95, fig. 41. 476 Bv. Vandenberghe 1982, fig. 3: 27; Henkes 478 Zie bv. Henkes 1994, 56-57, cat. nr. 14.4. 473 Termote 1988, 27 en de daar vermelde litera- 1994, 121-122, cat. nrs. 28.6 en 28.7. tuur, fig. 4: 10. 202 k. de groote 3.2.4 Beerput IV/E106 beperkt aantal scherven teruggevonden terwijl fragmenten van vier bodems niet rechtstreeks aan een welbepaald individu kon- Zoals reeds vermeld werd ook een beperkte hoeveelheid goed den toegeschreven worden. Samenvattend behoren 49 scherven bewaard drinkglas aangetroffen in deze beerput, waarvan tot minstens 8 individuele exemplaren (37 %) terwijl 75 scherven een deel echter verloren gegaan is. Uit de terreinregistratie kan onbepaald zijn (63 %). Dit is bijna het omgekeerde beeld van de enkel nog afgeleid worden dat het fragmenten van minstens één stenen beerput XIVB/A6 waar 71 % van de scherven tot de indi- Maigelbecher in woudglas betrof. Daarnaast zijn er 11 fragmenten viduele glazen konden terug gebracht worden (zie boven). Zowel bewaard van een volledige ribbeker, van hetzelfde type als de de depositiefactoren, de aard van de context (beerkuil versus exemplaren uit de stenen beerput XIVB/A6. Het 80 mm hoge beerput) als de hiermee samengaande bewaringsomstandig­ cilindrische drinkglas heeft 9 ribben met een lengte van 50 mm heden hebben hierbij een rol gespeeld. De hoeveelheid minimaal (fig. 161: 16). Het is vervaardigd uit een min of meer kleurloos aantal exemplaren (MAE) is gebaseerd op de aanwezigheid van varenglas met een lichte rozebruine tint dat vooral in de ribben bodemfragmenten met pointilmerk. zichtbaar is (fig. 162). Alle vormen behoren tot het groene glas in de Duitse woudglas- 3.2.5 Beerkuil XIV/I5 traditie479. Drie basisvormen konden met zekerheid geïdentifi- ceerd worden. De Maigelein of drinknap met kruisribbelpatroon Uit het opgegraven deel van deze beerkuil werd een bodemfrag- is met drie exemplaren het best vertegenwoordigd. Een archeo- ment in groen woudglas aangetroffen afkomstig van een coni- logisch volledig exemplaar had een randdiameter van 88 mm en sche Maigelbecher. De aanzet van een malgeblazen patroon, een hoogte van 43 mm. Bij een tweede exemplaar kan een rand- waarschijnlijk een gekruist ribbelpatroon, is nog net zichtbaar. diameter van 82 mm vastgesteld worden. De Maigelbecher is aan- Het lijkt om eenzelfde type te gaan als de Maigelbecher uit de wezig met twee exemplaren van het tonvormige type met hoog overige drie nabij gelegen beerstructuren. opgestoken ziel, beide eveneens met een gekruist ribbelpatroon versierd. Eén meetbaar exemplaar had een randdiameter van 3.2.6 Besluit 79 mm en was 64 mm hoog. Het derde met zekerheid aanwezige vormtype is de noppenbeker van het type lage koolstronk De beerstructuren die gerelateerd zijn aan het huishouden en het (Krautstrunk). Dit bekertype wordt gekenmerkt door zijn laag atelier van de kruisboogmaker bevatten een grote hoeveelheid tonvormig lichaam met korte, convexe wanden en een uitstaan- glas waarbij vooral de verschillen in de samenstelling van de en- de rand480. De vlakke noppen hebben een naar boven gerichte sembles sprekend zijn. Omdat de contexten zowel contemporain doorn, en de overgang tussen het lichaam en de uitstaande rand zijn als afkomstig van dezelfde gebruikers483 bieden ze bijzonder is geaccentueerd door een gladde glasdraad. De aanwezigheid van twee bodems die tot de noppenbekertypologie behoren wij- zen op de aanwezigheid van minstens twee exemplaren. Een drietal losse noppen van dezelfde grootte kunnen van dezelfde exemplaren afkomstig zijn. Enerzijds gaat het om een ongeveer 70 mm wijde licht opgebolde bodem met een geribde voetband en anderzijds om een opgebolde bodem op een voetring bestaan- de uit minstens twee gewonden glasdraden. Fragmenten van voetringen bestaande uit drie en vier gewonden glasdraden zijn ook in het ensemble aanwezig, wat kan wijzen op nog minstens één extra exemplaar. Zowel de voetringen van gewonden glas- draad als de geribde voetband worden geassocieerd met de ver- anderingen in de typologie van de noppenbeker die rond 1500 plaatsgrepen481. Gecombineerd met het feit dat de lage tonvor- mige koolstronk nog een oud type is, dat plaats maakte voor de conische noppenbeker en de vroege Berkemeier482, toont aan dat het hier om een type gaat uit de late 15de tot eerste helft 16de eeuw. Een twaalftal dikwandige fragmenten van de 79 overige glasscherven behoren duidelijk tot het malgevormde ééndelige bekertype met reliëfpatroon, type Maigelein of Maigelbecher, terwijl negen rand- en een zevental wandfragmenten duidelijk afkomstig zijn van noppenbekers met uitstaande hals. Geen ­enkel fragment wijst op de aanwezigheid van flesvormen. Ook is Fig. 162    Ribbeker uit beerput IV/E106. er geen vensterglas aangetroffen. Ribbed beaker from cesspit IV/E106. 479 Henkes 1994, 51, 54-55. 481 Henkes 1994, 65; Kottman 1999, 264. 480 Henkes 1994, 69-70, cat. 157.7 en 17.8; 482 Henkes 1994, 71. Vandenberghe 1982, 135 en fig. 4; Steppuhn 2016, 483 Uitgezonderd beerkuil XIV/I5, waarvan dit 87-92, Abb. 172. niet kan aangetoond worden. Glas 203 inzicht in de glasconsumptie uit deze periode. De ensembles ver- waarschijnlijk van een Maigelein of een Maigelbecher. Ook in de tegenwoordigen verschillende soorten sets van drinkglas die poel waren de steeds wisselende bodemcondities nefast voor de waarschijnlijk bij verschillende gelegenheden gebruikt werden. bewaring van glas, waardoor slechts een vijftiental fragmenten Vooral de ensembles uit beerkuil I/B40 en beerput XIVB/A6 zijn geregistreerd, alle aangetroffen in de jongste fasen uit de benadrukken dit verschil. Het grote ensemble van woudglas uit tweede helft van de 15de eeuw. Het betreft uitsluitend scherven de beerput, bestaande uit minstens 13 drinknappen en 5 drink- in groengekleurd woudglas, waaronder een viertal fragmenten bekers is te vergelijken met het ensemble uit de beerkuil, dat uit- die tot op vorm kunnen herkend worden. Een groot wandfrag- sluitend bestaat uit drinknappen en drinkbekers in woudglas. ment en een van rand tot aanzet bodem bewaard fragment zijn De grootte van de ensembles wijzen er op dat het gaat om sets duidelijk afkomstig van Maigeleins met een gekruist ribbel­ van relatief goedkoop drinkgerei in groen woudglas die mogelijk patroon als versiering. Een bodemfragment met hoge ziel en gebruikt werden bij feestelijke gelegenheden om in groep te drin- een wandfragment met gekruist ribbelpatroon kunnen herkend ken. Daarnaast is er het drinkgerei in transparant varenglas uit worden als fragmenten van conische bekers (Maigelbecher). Een de stenen beerput dat vooral een gamma aan individuele types gelijkaardig, bijna volledig exemplaar met kruisribbelpatroon vertegenwoordigt dat opvalt door zijn hoge kwaliteit, zowel in werd in de Solva-opgraving van 2011 aangetroffen in de centrale de grondstof, in de vormen als in de toegepaste decoratie­ demping van de poel486. technieken. Het gaat met uitzondering van de ribbekers om bij- zondere types die algemeen relatief zeldzaam zijn in de Neder- Ten slotte moet er nog gewezen worden op enkele glasvondsten landen. Waarschijnlijk betreft het hier individuele drinkglazen uit twee contexten die tot de vroege kloosterperiode gerekend die afkomstig zijn uit het private huishouden van de kruisboog- worden. Enerzijds zijn er drie wandfragmenten van een noppen- maker zelf en op een of andere manier zijn identiteit en zijn beker in groen woudglas aangetroffen in de vulling van de kelder ­status vertegenwoordigen, onder meer door het grote contrast van het huis van de kruisboogmaker (context IV/C75), waarvan dat ze vormen met de drinksets in woudglas. Op deze problema- uit het aardewerk duidelijk blijkt dat het om een vroege kloos- tiek van identiteit en status zal verder ingegaan worden in het tercontext uit de eerste helft van de 16de eeuw gaat. Anderzijds aparte boekdeel over de kruisboogmaker. bevond zich tussen de vondsten uit een afvallaag in het gebouw aan de kloostermuur (context VI/A57) twee wandfragmenten van een ribbeker in kleurloos varenglas. Deze context dateert uit 3.3 Het overige glas uit 14de- en 15de-eeuwse het einde van de 15de of het eerste kwart van de 16de eeuw. structuren Zoals reeds vermeld is er in de overige middeleeuwse contexten op de Hopmarkt nauwelijks glas aangetroffen, in totaal gaat het 3.4 Besluit glasvondsten slechts om een 25-tal fragmenten. Opvallend is wel de vondst Ondanks de beperkte hoeveelheid glas die op de Hopmarkt is van twee fragmentjes in groenbruin woudglas die tevoorschijn aangetroffen in vergelijking met andere vondstcategorieën zoals kwamen bij het uitspoelen van bodemstalen uit kuil VI/E56, die aardewerk en dierlijk bot, vormt ze toch een belangrijke collectie ­dateert uit het eerste kwart van de 14de eeuw. Dit zijn de oudste voor de studie van deze materiaalsoort. Ten eerste blijkt het glasvondsten op de site. Ze bevestigen de problematiek van de ­belang van de bodemcondities in de bewaring van deze fragiele bewaring van glas in contexten uit de 13de en de 14de eeuw, zoals vondsten, waarmee door glasonderzoekers meer aandacht moet reeds vastgesteld werd in een beerkuil op een site aan de Aal- besteed worden in de interpretatie van laatmiddeleeuwse glas- sterse Grote Markt484. Daar werd immers ook slechts bij het uit- ensembles en de algemene conclusies die er uit afgeleid worden zeven van stalen uit zowel de 13de-eeuwse beerlagen als de 14de- naar glasbezit en -consumptie. De twee vroeg-14de-eeuwse glas- eeuwse egalisatielaag een belangrijke hoeveelheid zeer sterk ge- fragmenten uit de zeefstalen van een kuil vormen hier opnieuw fragmenteerd en slecht bewaard glas aangetroffen, afkomstig een duidelijke aanwijzing voor. Ten tweede hebben deze ensem- van minstens drie kelkglazen. De twee fragmentjes uit kuil VI/ bles ook belangrijke chronologische gegevens door de goede his- E56 kunnen niet tot op vorm gedetermineerd worden maar ze torische dateringen die beschikbaar zijn voor de contexten die tonen aan dat door de slechte bewaring van glas uit de 13de en gerelateerd zijn met de kruisboogmaker die aan de Veemarkt 14de eeuw het glasbezit in deze periode zeer sterk onderschat resideerde tussen 1489 en 1498. Ze kunnen helpen bij de discus- wordt en dat de glasconsumptie dan veel hoger en algemeen ver- sies rond de chronologie van de evolutie van sommige beker­ spreid was dan algemeen wordt aangenomen485. De schaarse hoe- types en hun decoratievormen, zoals de conische beker, de rib- veelheid glas dat gekend is uit archeologische contexten uit de beker, de voetbeker of de noppenbeker. Ten slotte is er de zeg- 13de en de 14de eeuw is duidelijk het gevolg van de zeer slechte gingskracht van de twee grote glasensembles uit beerput XIVB/ kwaliteit van het toenmalige potasglas waardoor het nauwelijks A6 en beerkuil I/B40 die bijzondere informatie verschaffen over bewaard blijft in de bodem. Niet toevallig zijn alle Aalsterse de glasconsumptie en de samenstelling van de gebruikte glas­ vondsten uit deze periode afkomstig uit zeefstalen en werd het ensembles op het einde van de 15de eeuw door het huishouden en glas nooit opgemerkt bij de handverzamelde vondsten. het atelier van een kruisboogmaker. Dit aspect zal verder uitge- diept worden in het deel over de kruisboogmaker. Twee andere glasvondsten zijn afkomstig uit twee 15de-eeuwse — kuilen, telkens een klein fragment in groengekleurd woudglas, 484 De Groote et al. 2009, 166-170. 485 Zie bijvoorbeeld de variatie aan glasvormen in 486 De Maeyer et al. 2014, 51, afb. 34. het 13de-14de-eeuwse Lübeck: Steppuhn 2016, 368, Tabelle 3. 431 Bibliografie Literatuur Alen A. & Ervynck A. 2005: The large scale and specialised late medieval urban craft of marrow extraction: archaeological and historical evidence from Malines (Belgium), confronted with ­experimental work. In: Mulville J. & Outram A. (eds), The Zooarchaeology of Milk and Fats, Proceedings of the International Council of Archaeozoology 9, Oxford, 193-200. Anonymus s.d.: Aalsterse plaatsnamen, s.l. (Stadsarchief Aalst 938.1). Armitage p.l. 1982: A system for ageing and sexing the horn cores from British post-medieval sites (17th to early 18th century) with special reference to unimproved British longhorn cattle. In: Wilson B., Grigson C. & Payne s. (eds), Ageing and Sexing Animal Bones from Archaeological Sites, BAR British Series 109, Oxford, 37-54. Armitage P.L. & Clutton-Brock j. 1976: A system for classification and description of horn cores of cattle from archaeological sites, Journal of Archaeological Science 3, 329-348. Atzbach R. 2005: Leder und Pelz am Ende des Mittelalters und zu Beginn der Neuzeit - Die Funde aus den Gebäudehohlräumen des Mühlberg-Ensemble in Kempten (Allgäu), Bamberger Schriften zur Archäologie des Mittelalters und der Neuzeit 2, Bonn. Baart J.M. 1982: Mittelalterliche Holzfunde aus Amsterdam: der Zusammenhang zwischen Holzart und Geräteform, Zeitschrift für Archäologie des Mittelalters 10, 51-62. Baart j. 1992: Terra Sigillata from Estremoz, Portugal. In: Gaimster D. & Redknap m. (eds), Every- day and exotic pottery from Europe c. 650-1900. Studies in honour of  John G. Hurst, Oxford, 273-278. Baart J., Krook W., Lagerweij A., Ockers N., Van Regteren H., Stam T., Stoepker H., Stouthart G. & Van Der Zwan M. 1977: Opgravingen in Amsterdam - 20 jaar stadskern­ onderzoek, Amsterdam. Bacher a. 1967: Vergleichend morphologische Untersuchungen an Einzelknochen des postkranialen Skeletts in Mitteleuropa vorkommender Schwäne und Gänse, Inaugural-Dissertation Universität München. Bakels C. & Jacomet S. 2003: Access to luxury foods in Central Europe during the Roman ­period: the archaeobotanical evidence, World Archaeology 34, 542-557. Bartels M. 1999 (red.): Steden in scherven/cities in sherds. Vondsten uit beerputten in Deventer, Dordrecht, Nijmegen en Tiel (1250-1900), Zwolle/Amersfoort. Bartholomieux B., Hendriks V. & van Ransbeeck L. 2015: Archeologische opgraving Lier Grote Markt (prov. Antwerpen) - Basisrapport, Monument Vandekerckhove nv Afdeling Archeologie Rapport 2015/10, Ingelmunster. Bartosiewicz L., Van Neer W. & Lentacker a. 1997: Draught Cattle: Their Osteological ­Identification and History, Annales du Musée Royal de l’Afrique Centrale, Sciences Zoologiques 281, Tervuren. Baudet f.e.j.m. 1904: De maaltijd en de keuken in de middeleeuwen, Academisch proefschrift Leiden. Beeckmans l. 2004: In klinkende munt. Vondsten van middeleeuwse en post-middeleeuwse munten te Geraardsbergen, Geschied- en Heemkundige Kring Gerardimontium, Gramaye-reeks 1, Geraardsbergen. Beeckmans L., De Buyser F., Parent J.-P. & Van Bulck g. 2011: Middeleeuwse munten in de schaduw van de Sint-Walburgakerk te Oudenaarde, Jaarboek van het Europees Genootschap voor Munt- en Penningkunde 2011, 29-55. 432 Archeologie en geschiedenis van een middeleeuwse woonwijk onder de Hopmarkt te Aalst Beeckmans L., De Buyser F. & Parent j.-p. 2012: Munten uit de bodem van Eine (O.-Vl.), Jaar- boek van het Europees Genootschap voor Munt- en Penningkunde 2012, 1-16. Berger f. 1993: Die mittelalterlichen Brakteaten im Kestner-Museum Hannover, Sammlungs­ katalog 12, Hannover. Berkers M., Cooremans B., Deforce K., Ervynck A., Lentacker A., Moens J., Stoops G., Van Neer W. 2010: Sint-Baafsplein 8: een laat 12de-eeuwse kuil uitgespit en uitgewerkt. In: Bru M.-A. & Vermeiren G. (red.), Archeologisch onderzoek in Gent 2002-2010, Stadsarcheologie. Bodem en Monument in Gent, reeks 2, 4, Gent, 65-100. Berti G. Cappelli L. & Francovich r. 1986: La maiolica arcaica in Toscana. In: La Ceramica Medievale nel Mediterraneo Occidentale, Atti del Congresso internazionale della Università degli studi di Siena, Siena/Faenza 8-13 ottobre 1984, Firenze, 483-510. Bethony J., Brooker S., Albonico M., Geiger S. M., Loukas A., Diemert D. & Hotez P.J. 2006: Soil-transmitted helminth infections: ascariasis, trichuriasis, and hookworm, The Lancet 367 (9521), 1521-1532. Beug H.-J. 2004: Leitfaden der Pollenbestimmung für Mitteleuropa und angrenzende Gebiete, München. Beuker J. 2010: Vuurstenen werktuigen. Technologie op het scherp van de snede, Leiden. Biddle M. (ed.) 1990: Object and Economy in medieval Winchester, Artefacts from medieval ­Winchester, Winchester Studies 7.ii, Oxford. Biddle M. & Brown D. A. 1990: Writing equipment and books. In: Biddle M. (ed.), Object and Economy in medieval Winchester, Artefacts from medieval Winchester, Winchester Studies 7.ii, Oxford, 729-747. Biddle M. & Elmhirst L. 1990: Sewing Equipment. In: Biddle M. (ed.), Object and Economy in medieval Winchester, Artefacts from medieval Winchester, Winchester Studies 7.ii, Oxford, 804-817. Biddle M. & Hinton D. A. 1990: Book-claps and page-holder. In: Biddle M. (ed.), Object and Economy in medieval Winchester, Artefacts from medieval Winchester, Winchester Studies 7.ii, Oxford, 755-758. Biddle M. & Smith D. 1990: Mortars. In: Biddle M. (ed.), Object and Economy in medieval ­Winchester, Artefacts from medieval Winchester, Winchester Studies 7.ii, Oxford, 890-908. Boessneck J., Müller H.-H. & Teichert m. 1964: Osteologische Unterscheidungsmerkmale zwischen Schaf (Ovis aries Linné) und Ziege (Capra hircus Linné), Kühn-Archiv 78 (1-2), 1-129. Boffin C. & Udrescu M. 2013: Archeozoölogisch onderzoek Aalst Hopmarkt (prov. Oost-Vlaanderen). Basisrapport, Monument Vandekerckhove nv Afdeling Archeologie Rapport 2013/16, Ingelmunster. Borremans R. & Warginaire r. 1966: La céramique d’Andenne. Recherches de 1956-1965, Rotterdam. Bouchet F., Harter S. & Le Bailly M. 2003: The state of the art in palaeoparasitologal research in the Old World, Memórias do Instituto Oswaldo Cruz 98, 95-101. Bracke M. & Van Hove s. s.d. (2017): Archeologische opgraving Aalst Peperstraat (prov. Oost- Vlaanderen). Basisrapport, Monument Vandekerckhove nv Afdeling Archeologie Rapport 2014/25, Ingelmunster. Brenan J. 1998: Furnishing. In: Egan G. 1998: The Medieval Household Daily Living c. 1150-c. 1450, Medieval finds from excavations in London 6, London, 65-84. Brill e.j. 1902: Handelingen en mededeelingen van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, over het jaar 1901-1902, Leiden. Bibliography 433 Brinkkemper O. & van Haaster H. 2012: Eggs of intestinal parasites whipworm (Trichuris) and mawworm (Ascaris): Non-pollen palynomorphs in archaeological samples, Review of Palaeobotany and Palynology 186, 16-21. Bronk Ramsey c. 2005: OxCal Program v3.10, http://c14.arch.ox.ac.uk/oxcal3/oxcal.htm. Brown a. 2011: Civic ceremony and religion in Medieval Bruges c 1300-1520, Cambridge. Bruijn a. 1979: Pottenbakkersvuren langs de Vecht. Aardewerk rond 1400 uit Utrecht, Rotterdam Papers III, Utrecht. Brulet R. 2010: La céramique rugueuse de l’Eifel. In: Brulet R., Vilvorder F. & Delage r. (dir.), La céramique romaine en Gaule du Nord. Dictionnaire des céramiques. La vaisselle à large diffusion, Tongeren, 402-423. Bryant V.M. 2001: Pollen Contents of Honey, CAP Newsletter 24, 10-24. Buurman J. 1993: Verkoolde mout uit een laat-middeleeuwse bierbrouwerij te Gramsbergen (Over­ijssel), Westerheem 42-4, 179-184. Cannaert J.B. 1835: Bydragen tot de kennis van het oude strafrecht in Vlaenderen, Gend. Cappers R.T.J. 1994: An ecological characterization of plant macro-remains of Heveskesklooster (the Netherlands). A methodolocical approach, Ph. D. thesis, Universiteit Groningen. Caulier V. 2003: Spel en plezier in Mechelen. In: Lettany L. (red.), Het Ongeschreven Mechelen. Archeologisch onderzoek op de Grote Markt en de Veemarkt 2001-2003, Mechelen, 56-61. Caluwé d. 2009: Glass in the Duchy of Brabant in late mediaeval and modern times. In: Janssens K., Degryse P., Cosyns P., Caen J. & Van ’t Dack l. (eds), Annales du 17ième Congrès de ­l’association internationale pour l’histoire du verre. Anvers 2006, Bruxelles, 317-325. Caluwé d., Cleeren N., De Clercq W. & Gevaert g. 2003: Glas van vissers, kooplui, monniken en heren. Middeleeuws en later glas uit het bodemarchief van Kust-Vlaanderen en Zeeland, Brugge. Caluwé D., Lambrecht G. & Wouters h. 2007: Glasvondst in de vulling. In: Beeckman D. & Lambrecht g. (red.), De Cop doorgespoeld. Een 16de-eeuwse beerputvulling anders bekeken, ­Dendermonde, 87-95. Carasso-Kok M. 1988: Der stede scut. De schuttersgilden in de Hollandse steden tot het einde der zestiende eeuw. In: Carasso-Kok M. & Levy-van Ham J. (red.), Schutters in Holland. Kracht en zenuwen van de stad, Zwolle, 16-35. Carasso-Kok M. & Levy-van Ham j. (red.) 1988: Schutters in Holland. Kracht en zenuwen van de stad, Zwolle. Clabaut m. 2009: Techniques et métiers du cuir au Moyen Âge, Fontaine. Clarck J. 1995: The medieval horse and its equipment c. 1150-c. 1450, Medieval finds from excava­ tions in London 5, London. Clevis H. & Kottman J. 1989: Weggegooid en teruggevonden. Aardewerk en glas uit Deventer vondstcomplexen 1375-1750, Deventer. Collet E. 1992: Specerijkelijk, de specerijenroutes. Tentoonstellingscatalogus, Brussel 27 maart - 14 juni 1992, Brussel. Cooremans B. 1994: De plantenresten. In: Pieters M., Cooremans B., Ervynck A. & Van Neer W. (met een bijdrage van Hardy M.): Van akkerland tot Heilige Geestkapel. Een kijk op de evolutie van de bewoningsgeschiedenis in de Kattestraat te Aalst (prov. Oost-Vlaanderen), Archeologie in Vlaanderen III-1993, 313-319. 434 Archeologie en geschiedenis van een middeleeuwse woonwijk onder de Hopmarkt te Aalst Cooremans B., Ervyck A. & Van Neer W. 1994: De voedselvoorziening in de Sint-Salvatorsabdij te Ename (stad Oudenaarde, prov. Oost-Vlaanderen). 2. De afvalput van de priorij (17de eeuw). Archeologie in Vlaanderen III-1993, 419-442. Cooremans B. 2000: Het macrobotanisch onderzoek: een speurtocht naar plantaardige (voedsel) resten. In : Veeckman J., Van Hoof W., Cooremans B., Ervynck A. & Van Neer W., De inhoud van de afvalput van de Groote Schalien Loove: speuren naar de 17de-eeuwse bewoners, Brabom. Berichten en rapporten over het Antwerps Bodemonderzoek en Monumentenzorg 4, 131-139. Cooremans B. 2003: Macrobotanisch onderzoek. In: De Groote K., Moens J., Caluwé D., Cooremans B., Deforce K., Ervynck A., Lentacker A., Rijmenants E., Van Neer W., ­Vernaeve W. & Zeebroek I., De Valcke, de Slotele en de Lelye, burgerwoningen op de Grote Markt te Aalst (prov. Oost-Vlaanderen). Onderzoek naar de bewoners, analyse van een vroeg-16de-eeuwse beerputvulling en de evolutie tot stadhuis, Archeologie in Vlaanderen VIII- 2000/2001, 377-386. Cowgill J., de Neergaard M. & Griffiths N. 1987: Knives and Scabbards. Medieval finds from excavations in London 1, London. Crombie l. 2010: From War to Peace. Archery and Crossbow Guilds in Flanders c.1300-1500, Unpub­ lished Ph. D. thesis, University of Glasgow, School of Arts and Humanities, Glasgow. Crombie l. 2011: Honour, community and hierarchy in the feasts of the archery and crossbow guilds of Bruges, 1445–81, Journal of medieval history 37-1, 102-113. Crombie l. 2016: Archery and crossbow guilds in medieval Flanders 1300-1500, Woodbridge/ Rochester. Dalby a. 2000: Dangerous Tastes. The Story of Spices, Berkeley/Los Angeles. Dandoy M. 1975-76: Céramique du 16e au 18e siècles découverte dans un puits-citerne à Huy ­“Batta” en 1976, Bulletin du Cercle Archéologique Hesbaye-Condroz XIV, 37-65. Dandoy M. 1981-82: Inventaire de la céramique découverte sur le site de l’ancien château de Huy en 1976-77, Bulletin du Cercle Archéologique Hesbaye-Condroz XVII, 203-217. Dauwe J. 1983: De Kruisboogschutters van St.-Joris te Lebbeke (1377-1796). Bijdrage tot de studie van de Schuttersgilden in Oost-Vlaanderen, Gent. Dauwe J., Heireman K., Baert K. & De Vos I. 1976: Aalst in kaart, beeld en prent. Tentoonstel­ lingscatalogus, Aalst. Davison s. 2003: Conservation and Restauration of Glass, Butterworth-Heinemann Series in ­Conservation and Museology, Oxford. Dean G.W. 2006: The science of coprolite analysis: the view from Hinds cave, Palaeogeography, Palaeoclimatology, Palaeoecology 237, 67-79. De Boe g. 1981: Een laat-middeleeuwse pottenbakkersoven te Tongeren. In: Conspectus MCM- LXXX, Archaeologia Belgica 238, Brussel, 76-80. de Boer A. & Franssen P. 1994: 8.4 Dobbelstenen. In: Krauwer M. & Snieder F. (red.), Nering en vermaak. De opgraving van een veertiende-eeuwse markt in Amersfoort, Amersfoort, 155-157. De Clercq W., Caluwé D., Cooremans B., De Buyser F., De Groote K. Deforce K., Ervynck A., Lentacker A., Mortier S., Pype P., Vandenberghe S., Van Neer W. & Wouters h. 2007: Living in times of war: waste of c. 1600 from two garderobe chutes in the castle of Middelburg-in- Flanders (Belgium), Post-Medieval Archaeology, 41-1, 1-63. De Clercq W. & Degryse p. 2008: The mineralogy and petrography of Low Lands Ware 1 (Roman lower Rhine - Meuse - Scheldt basin; the Netherlands, Belgium, Germany), Journal of Archaeologi- cal Science 35, 448-458. Bibliography 435 De Cupere B., Lentacker A., Van Neer W., Waelkens M. & Verslype l. 2000: Osteological evidence for the draught exploitation of cattle: first applications of a new methodology, Inter­ national Journal of Osteoarchaeology 10, 254-267. Deforce K. 2006: The historical use of ladanum. Palynological evidence from 15th and 16th century cesspits in Northern Belgium, Vegetation History and Archaeobotany 15, 145-148. Deforce K. 2007a: De houtskool. In: Troubleyn L., Kinnaer F. & Ervynck A. (red.), Het Steen en de burgers. Onderzoek van de laatmiddeleeuwse gevangenis van Mechelen, Mechelen, 168-169. Deforce K. 2007b: Het Stuifmeel. In: Troubleyn L., Kinnaer F. & Ervynck A. (red.), Het Steen en de burgers. Onderzoek van de laatmiddeleeuwse gevangenis van Mechelen, Mechelen, 163-167. Deforce k. 2010: Pollen analysis of 15th century cesspits from the palace of the dukes of Burgundy in Bruges (Belgium): evidence for the use of honey from the western Mediterranean, Journal of Archaeological Science 37, 337-342. Deforce K. 2011: Houtidentificatie van enkele houten voorwerpen uit Mechelen – Arresthuis (10-ME-AR) (prov. Antwerpen), Rapporten Natuurwetenschappelijk Onderzoek VIOE, RNO. VIOE.2011.017, Brussel. Deforce K. 2013: Pollen uit de vullingen van de beerputten. In: Pieters m. (red.), Het archeolo- gisch onderzoek in Raversijde (Oostende) in de periode 1992-2005, Relicta Monografieën 8, Brussel, 326-331. Deforce K. 2017a: Middeleeuwse manden uit Gent. In: De Groote K. & Ervynck A. (red.), Gentse geschiedenissen ofte, nieuwe historiën uit de oudheid der stad en illustere plaatsen omtrent Gent, Gent, 219-224. Deforce K. 2017b: Stuifmeel en darmparasieten. In: Beeckman D. & Van Hecke C. (red.), In de Cop op de Merckt. Archeologisch onderzoek van een huishouden uit 16de-eeuws Dendermonde, Gent, 229-236. Deforce k. 2017c: The interpretation of pollen assemblages from medieval and post-medieval cesspits: new results from northern Belgium, Quaternary International 460, 124-134. Deforce k. 2017d: Wood use in a growing medieval city. The overexploitation of woody resources in Ghent (Belgium) between the 10th and 12th century AD, Quaternary International  458, 123-133. Deforce K. & Bastiaens J. 2007: The Holocene history of Taxus baccata (yew) in Belgium and neighbouring regions, Belgian Journal of Botany 140, 222-237. Deforce K., Bastiaens J & Ameels V. 2007d: Archeobotanisch bewijs voor ontginning en lange- afstandtransport van turf in Vlaanderen rond 1200 AD: heropgegraven veen uit de abdij van ­Ename (Oudenaarde, prov. Oost-Vlaanderen), Relicta 1, 141-153. Deforce K., Ervynck A., Hillewaert B., Huyghe J., Lentacker A., van Haaster H. & Van Neer W. 2007a: De eeuw van de Bourgondiërs. In: Hillewaert B. (red.), Het Prinsenhof te Brugge, Brugge, 66-75. Deforce K., Ervynck A., Hillewaert B., Huyghe J., Lentacker A., van Haaster H. & Van Neer W. 2007b: De voorgeschiedenis van het Bourgondisch hof. In: Hillewaert B. (red.), Het Prinsenhof te Brugge, Brugge, 22-39. Deforce K., Ervynck A., Hillewaert B., Huyghe J., Lentacker A., van Haaster H. & Van Neer W. 2007c: Een adellijke logeereenheid wordt een vijfsterrenhotel. In: Hillewaert B. (red.), Het Prinsenhof te Brugge, Brugge, 94-105 Deforce K. & Haneca K. 2015: Tree-ring analysis of archaeological charcoal as a tool to identify past woodland management: the case from a 14th century site from Oudenaarde (Belgium), ­Quaternary International 366, 70-80. 436 Archeologie en geschiedenis van een middeleeuwse woonwijk onder de Hopmarkt te Aalst De Groote k. 1993: Het afval van de Rijke Klaren. Noodonderzoek in de voormalige abdij van Beaulieu te Petegem (gem. Wortegem-Petegem, prov. Oost-Vlaanderen), Archeologie in ­Vlaanderen II-1992, 335-412. De Groote k. 2002: Spanish, Italian and South-Netherlands maiolica from an early 16th century deposit of the St-Clara abbey of Beaulieu at Petegem (East-Flanders, Belgium). In: Veeckman j. (ed.), Maiolica and glass: from Italy to Antwerp and beyond. The transfer of technology in 16th-­ early 17th century, Antwerp, 443-445. De Groote k. 2008a: Middeleeuws aardewerk in Vlaanderen. Techniek, typologie, chronologie en evolutie van het gebruiksgoed in de regio Oudenaarde in de volle en late middeleeuwen (10de- 16de eeuw), Relicta Monografieën 1, twee delen, Brussel. De Groote K. 2008b: The use of ceramics in late medieval and early modern monasteries. Data from three sites in Eastern Flanders (Belgium), Medieval Ceramics 29-2005, 31-43. De Groote K. 2010: The contribution of archaeological sources to the research of the formation of towns. The example of Aalst, a border town in the county of Flanders. In: De Groote K., Tys D. & Pieters M. (eds), Exchanging Medieval Material Culture. Studies on archaeology and his- tory presented to Frans Verhaeghe, Relicta Monografieën 4, Brussel, 249-266. De Groote k. 2013: De stadswording van Aalst. Of hoe een Merovingische nederzetting uitgroeide tot een laatmiddeleeuwse stad, M&L 32-1, jan.-feb. 2013, 4-32. De Groote k. 2014: To honour Mary? Provenance, distribution and symbolic use of Mediter­ ranean tin-glazed pottery in late medieval inland Flanders, Medieval and Modern Matters 3-2012, 1-20. De Groote k. 2015: Technische en typologische analyse van het aardewerk uit drie afvalcontexten (13de-16de eeuw) afkomstig uit de cisterciënzerinnenabdij van Herkenrode, Relicta 13, 201-300. De Groote K., Ameels V., Moens J. & Debonne V. 2010a: Archeologisch onderzoek te Aalst - Sint-Jozefscollege (prov. Oost-Vlaanderen) 2009-2010, Intern Rapport VIOE, Brussel. de Groote K. & Berkers m. 2017: Hoe Merovingisch is Merovingisch Gent? Vroegmiddeleeuwse aardewerkvondsten in de Gentse kuip, een stand van zaken. In: De Groote K. & Ervynck a. (red.), Gentse geschiedenissen ofte, nieuwe historiën uit de oudheid der stad en illustere plaatsen ­omtrent Gent, Gent, 23-34. De Groote K., Bourgeois I., Lentacker A. & Ervynck A. 2010b: Puur afval? Een bijzondere 14de-eeuwse landelijke afvalcontext op de site Pullaar te Puurs (provincie Antwerpen), Relicta 6, 99-144. De Groote K. & De Clercq w. 2015: La production de céramique du Haut Moyen Âge en Flandre (Belgique). Bilan et perspectives. In: Thuillier F. & Louis e. (dir.), Tourner autour du pot… Les ateliers de potiers médiévaux du Ve au XIIe siècle dans l’espace européen, Publications CRAHM, Caen, 361-371. De Groote K., De Maeyer W., Moens J., Quintelier K., Van Cleven F., Vanden Berghe I. & Vernaeve W. 2011: Het karmelietenklooster van Aalst (prov. Oost-Vlaanderen) (1497-1797): het gebouwenbestand, de begravingen en het fysisch-antropologische onderzoek, Relicta 8, 83-250. De Groote K., De Maeyer W., Moens J., Termote D.& Thevissen P. 2015: Twee aardewerken­ sembles en de materiële resten van het laatmiddeleeuwse schoenlappers-/oudeschoenmakers­ ambacht uit de site Barbarahof te Leuven, Relicta 12, Brussel, 57-147. De Groote K., Ervynck A., Lentacker A. & Schynkel E. (in voorbereiding, a): Het Woestijne­ goed en het kasteel van Woestijne. In: De Groote k. & Van De Vijver M. (red.), Aalter Woestijne. Een geschiedenis van meer dan 5000 jaar, Brussel. Bibliography 437 De Groote K. & Moens J. 1995: De oudste stadsversterking van Aalst (prov. Oost-Vlaanderen), Archeologie in Vlaanderen IV-1994, 95-148. De Groote K. & Moens J. 1997: Laat- en post-middeleeuwse bewoningssporen aan de Kattestraat te Aalst (O.-Vl.), Archaeologia Mediaevalis 20, 64-65. De Groote K. & Moens j. 2010: De Nederstove op de Oude Vismarkt te Aalst. De archeologie van een badhuis in de middeleeuwse rosse buurt. In: Dewilde M., Ervynck a. & Becuwe f. (red.), Cenulae recens factae. Een huldeboek voor John De Meulemeester, Novi Monasterii 10, Koksijde- Gent, 121-140. De Groote K., Moens J., Caluwé D., Cooremans B., Deforce K., Ervynck A., Lentacker A., Rijmenants E., Van Neer W., Vernaeve W. & Zeebroek I. 2004a: De Valcke, de Slotele en de Lelye, burgerwoningen op de Grote Markt te Aalst (prov. Oost-Vlaanderen): onderzoek naar de bewoners, analyse van een vroeg-16de-eeuwse beerputvulling en de evolutie tot stadhuis, ­Archeologie in Vlaanderen VIII-2001/2002, 281-408. De Groote K., Moens J., Caluwé D., Cooremans B., Deforce K., Ervynck A., Lentacker A. & Van Neer w. 2009: Op zoek naar de oudste middeleeuwse bewoning aan de Grote Markt te Aalst (prov. Oost-Vlaanderen). Het onderzoek van afval- en beerkuilen uit de 12de tot de 14de eeuw, Relicta 4, 135-204. De Groote K., Moens J. & Cooremans B. 1999: Middeleeuwse sporen op de Grote Markt en het fabrieksterrein ‘t Haantje te Aalst (Oost-Vlaanderen). Een kleine bijdrage tot de ontwikkelings­ geschiedenis van de stad, Archeologie in Vlaanderen V-1995/1996, 111-130. De Groote K., Moens J. & De Block A. 2003: Enkele waarnemingen in de Korte Nieuwstraat te Aalst (O.-Vl.), Archaeologia Mediaevalis 26, 105-106. De Groote K, Moens J. & De Brandt h. 2006: Tijd voor Pottenkijkers. Cataloog bij de tentoon- stelling ‘Gelieve de werf te betreden. 25 jaar archeologie in de Aalsterse binnenstad’, Aalst. De Groote K., Moens J & De Clercq W. 2001: Sint-Lievens-Houtem: een laatmiddeleeuwse ­tonwaterput aan het Marktplein, Monumentenzorg en cultuurpatrimonium. Jaarverslag van de provincie Oost-Vlaanderen 2000, Gent, 222-223. De Groote K., Moens J. & Ervynck a. 2004b: Vlekken & kruimels. Archeologische en culinaire verkenning van een Vlaamse stad, Aalst. De Groote K., Van de Vijver M., Lentacker A. & Storme a. (in voorbereiding, b): Middel­ eeuwen. In: De Groote k. & Van De Vijver M. (red.), Aalter Woestijne. Een geschiedenis van meer dan 5000 jaar, Brussel. De Groote K. & Verhaeghe F. 2016: La majolique du Bas Moyen Âge aux Temps Modernes en Flandre (Belgique). Recherches récentes, hypothèses interprétatives et questions. In: Ravoire F. & Horry a. (dir.), Faïences et majoliques du XVe au XVIIe siècle en France et en Belgique. Pour un bilan des connaissances archéologiques, Table ronde internationale, Sens, CEREP, 7-8 septembre 2010, Dijon, 181-195. de Jong H. 1994: Bouwmaterialen en bewerkt natuursteen. In: Krauwer M. & Snieder F. (red.), Nering en vermaak. De opgraving van een veertiende-eeuwse markt in Amersfoort, Amersfoort, 97-100. De Laet s.j. 1974: Prehistorische culturen in het Zuiden der Lage Landen, Wetteren. De Langhe k. 2015: Heating the house. An archaeological and archaeometrical investigation into the tile-stoves of late-medieval Flanders, Belgium (14th-17th centuries), Post-Medieval Archaeology 49-2, 291-312. De la Tour h., Catalogue de la collection Rouyer 1897, herdruk 2000, Rebecq. 438 Archeologie en geschiedenis van een middeleeuwse woonwijk onder de Hopmarkt te Aalst De Maeyer w. 2004: In kannen en kruiken. Archeologisch onderzoek van een laatmiddeleeuwse context uit het klooster van de Geschoeide Karmelieten te Mechelen, Handelingen van de Konink- lijke Kring voor Oudheidkunde, Letteren en Kunst van Mechelen 108, 127-164. de Maeyer W., Van Cauwenbergh S., Klinkenborg S., Taelman E. & Cherretté B. 2013: Aalst Werfplein - Onderzoek van een middeleeuwse woonwijk, Solva archeologie rapport 23, Erpe-Mere. de Maeyer W., Van Cauwenbergh S., Klinkenborg S., Taelman E. & Cherretté B. 2014: Aalst Hopmarkt - fase 2. Onderzoek van de pandgangen en de poel, Solva archeologie rapport 25, Erpe-Mere. De Meulemeester j. 2002: Fonds de cabane et caves semi-enterrées: une réflection ethno­ graphique. In: Klápště j. (ed.), Ruralia 4. The rural house from the migration period to the oldest still standing buildings, Památky Archeologické Supplementum 15, Praha, 169-170. De Mey j. 1970: Les monnaies de Bretagne, Brussel. De Mey j. 1971: Les monnaies de Namur (946-1714), Numismatic pocket 11, Brussel. De Mey j. 1974: Les monnaies de Ducs de Brabant ( 1106-1467), Numismatic pocket 1 (2nd edition), Watermaal. De Mey j. 1986: Restitutie van een monetaire uitgifte te Namen. In: Jaarboek 1986 Europees Genoot- schap voor Munt- en Penningkunde, Tienen, 15-20. De Mulder G., De Clercq W. & Deschieter j. 2002: IJzertijdsporen in Merelbeke (O.-Vl.), ­Lunula. Archaeologia protohistorica X, 39-42. De Mulder G. & Hoorne j. 2008: Terugkeer naar Erps-Kwerps/Villershof (provincie Vlaams- Brabant, België), Lunula. Archaeologia protohistorica XVI, 93-101. De Mulder G., Hoorne J. &. Bartholomieux b. 2009: Het aardewerk van de erven op Flanders- Expo – Zone I (Sint-Denijs-Westrem, stad Gent, provincie Oost-Vlaanderen, België), Lunula. ­Archaeologia protohistorica XVII, 81-89. De Swaef W. & Pieters M. 1993: Twee laat-middeleeuwse mallen in ceramiek uit Aalst (prov. O.-Vl.), Archeologie in Vlaanderen II-1992, 413-417. Dengis j.-l. 2006: Les monnaies de la principauté de Liège, 3 delen, Collection Moneta 53-54-55, Wetteren. De Poorter A. 2001a: Het archeologisch onderzoek op een terrein in de Dinantstraat (1995) In: Blanquaert P., Demeter S., De Poorter A., Massart C., Modrie S., Nachtergael I. & Siebrand m. 2001: Autour de la première enceinte/Rond de eerste stadsomwalling, Archeologie in Brussel 4, Brussel, 178-225. De Poorter a. 2001b: Pottenbakkersafval van laat-middeleeuws hoogversierd aardewerk uit Mechelen, Vormen uit vuur 174, 2001-1, 8-25. de Potter f. 1868: Extraits de quelques documents historiques relatifs pour la plupart à des ­localités de la Flandre occidentale, Annales de la société d’émulation pour l’étude de l’histoire et des antiquités de la Flandre, 3ième série, t. 3, 145-220. de Potter F. & Broeckaert j. 1873: De geschiedenis der stad Aalst, voorgegaan van eene historische schets van ’t voormalige Land van Aalst, deel 1, Geschiedenis van de gemeenten der provincie Oost- Vlaanderen, zevende reeks, Gent (heruitgave: 1988, Roeselare). de Potter F. & Broeckaert J. 1875: De geschiedenis der stad Aalst, voorafgegaan van eene ­historische schets van ’t voormalige Land van Aalst, derde deel, Geschiedenis van de gemeenten der provincie Oost-Vlaanderen, zevende reeks, Gent (heruitgave: 1988, Roeselare). Bibliography 439 Devos Y. 2012: ‘Sint-Jozefscollege’ (Aalst) : Archaeopedological Study, Campaign 2009. Soil micro- morphological study, Centre de Recherches en Archéologie et Patrimoine Université Libre de Bruxelles, Bruxelles. De Witte h. 1982: Opgravingen en vondsten 1979-1981. In: Jaarboek 1982 Stad Brugge Stedelijke Musea, 141-168. De Witte h. 1985: Archeologisch jaarrapport 1983-84. In: Jaarboek 1983-84 Stad Brugge Stedelijke Musea, 159-166. Dodoens R. 1644: Cruydtboeck, Antwerpen. Dunning g.c. 1968: Medieval pottery roof ventilators and finials found at Aardenburg, Zeeland, and post-medieval finials at Deventer, Overijssel, Berichten R.O.B. 18, 209-225. Duplessy j. 1988-1989: Les monnaies françaises de Hughes Capet à Louis XVI (987-1793), 2 delen, Parijs. Egan G. 1998: The Medieval Household Daily Living c. 1150-c. 1450, Medieval finds from excavations in London 6, London. Egan G. & Pritchard F. 1991: Dress Accessories c. 1150 – c. 1450, Medieval finds from excavations in London 3, London. Ejarque A., Miras Y. & Riera S. 2011: Pollen and non-pollen palynomorph indicators of ­vegetation and highland grazing activities obtained from modern surface and dung datasets in the eastern Pyrenees, Review of Palaeobotany and Palynology 167(1), 123-139. Ellis B. 1990: Horse and riding equipment – I. Spurs. In: Biddle M. (ed.), Object and Economy in medieval Winchester, Artefacts from medieval Winchester, Winchester Studies 7.ii, Oxford, 1037-1042. Ellis S.E. & Moore D.T. 1990: Sharpening and Grinding Stones. In: Biddle M. (ed.), Object and Economy in medieval Winchester, Artefacts from medieval Winchester, Winchester Studies 7.ii, Oxford, 868-881. Ervynck a. 1997: Detailed recording of tooth wear (Grant, 1982) as an evaluation of the seasonal slaughtering of pigs? Examples from Medieval sites in Belgium, Archaeofauna 6, 67-79. Ervynck a. 2005: Detecting the seasonal slaughtering of domestic mammals: inferences from the detailed recording of tooth eruption and wear, Environmental Archaeology 10, 153-169. Ervynck a. 2011: Everything but the leather. The search for tanneries in Flemish archaeology. In: Thomson R. & Mould q. (eds), Leather tanneries. The archaeological evidence, London, 103-115. Ervynck a. 2015: Het hobbelige parcours van de platte oester. Archeologie en kookkunst van de prehistorie tot na de middeleeuwen. In: Steevens I. & Van Moerbeke k. (eds), Oesterpassie, Oostkamp, 16-29. Ervynck A., Boudin M. & Van Neer w. (in druk): Assessing the radiocarbon freshwater reservoir effect for a Northwest-European river system (the Schelde basin, Belgium), Radiocarbon. Ervynck A. & Van Neer w. 1998: Het archeologisch onderzoek van de voedseleconomie van ­laatmiddeleeuwse steden. Mogelijkheden en eerste resultaten voor Leuven. In: Bessemans L. et al. (eds), Leven te Leuven in de late Middeleeuwen, Leuven, 79-94. Ervynck A. & Van Neer w. 2017: Beef, pork and mutton. An archaeological survey of the meat consumption in medieval and postmedieval towns in the southern Low Countries (Flanders & Brussels, Belgium), Quaternary International online 14, February 2017. http://dx.doi.org/10.1016/j. quaint.2017.02.004. 440 Archeologie en geschiedenis van een middeleeuwse woonwijk onder de Hopmarkt te Aalst Evans D.H. 2012: Childhood, Adolescense, Education and Recreation in Hull and Beverly, 1100-1700. In: Gläser M. (ed.) 2012: Kindheit und Jugend, Ausbildung und Freizeit, Lübecker ­Kolloquium zur Stadtarchäologie im Hanseraum 8, Lübeck, 39-55. Falk A. 1983: Knochengeräte des späten Mittelalters und der frühen Neuzeit Bodenfunde aus ­Lübeck, Zeitschrift des Vereins für lübeckische Geschichte und Altertumskunde 63, 105-128, Lübeck. Fernandes A., Ferreira L.F., Gonçalves M.L.C., Bouchet F., Klein C.H., Iguchi T., Sianto L. & Araujo A. 2005: Intestinal parasite analysis in organic sediments collected from a 16th-­ century Belgian archaeological site, Cadernos de saúde pública 21, 329-332. Fingerlin I. 1995: Der Lederabfall. In: Untermann M. (Hrsg.), Die Latrine des Augustiner­ eremiten-Kloster in Freiburg im Breisgau, Materialhefte zur Archäologie in Baden-Württemberg 31, Stuttgart, 129-266. Francovich r. 1982: La ceramica medievale a Siena e nella Toscana meridionale (secc. XIV-XV). Materiali per una tipilogia, Ricerche di archaeologia altomedievale e medievale 5/6, Firenze. Gade d.w. 2000: Horses. In: Kiple K.F. & Conée Ornelas k. (eds), The Cambridge World History of Food. Volume 1, Cambridge, 542-545. Gale R. & Cutler D. 2000: Plants in Archaeology. Identification manual of artefacts of plant origin from Europe and the Mediterranean to c.1500, Kew. Galloway P. 1976: Note on description of bone and antler combs, Medieval Archaeology. Journal of the Society for Medieval Archaeology 20, 154-156. Gaimster D. 1997: German Stoneware 1200-1900. Archaeology and cultural history, London. Gelorini V., Meersschaert L. & Van Roeyen P. 2003: Archeobotanisch onderzoek van enkele laat- en postmiddeleeuwse archeologische contexten uit de onderzoekszone Verrebroekdok (Beveren, prov. Oost-Vlaanderen), Archeologie in Vlaanderen VII-1999/2000, 201-224. Ghysens J. 1986: Geschiedenis der straten van Aalst, Aalst. Gilchrist R. 2012: Medieval Life. Archaeology and the Life Course, Woodbridge. Gläser M. (ed.) 1995: “Das kint spilete und was fro.” Spielen vom Mittelalter bis heute, Lübeck. Goemaere E., Challe S., de Longueville s., Golitko M., Verbeeck M., Goovaerts T. & Leduc t. 2015: Caractérisation archéométrique des céramiques glaçurées médiévales de Dinant et Bouvignes: quelques résultats préliminaires, Rapports Archéologie 1, 89-91. Gomez Ferreras C. & Sáenz de Rivas C. 1980: Analisis polinico de mieles de Caceres (España), Anales del Jardin Botanico de Madrid 36, 191-201. Goodall I. H. 1990a: Building Ironwork. In: Biddle M. (ed.), Object and Economy in medieval Winchester, Artefacts from medieval Winchester, Winchester Studies 7.i, Oxford, 328-349. Goodall I. H. 1990b: Horseshoes. In: Biddle M. (ed.), Object and Economy in medieval Winchester, Artefacts from medieval Winchester, Winchester Studies 7.ii, Oxford, 1054-1067. Goodall I. H. 1990c: Tanning, Currying, and Leather-Working Tools. In: Biddle M. (ed.): Object and Economy in medieval Winchester, Artefacts from medieval Winchester, Winchester Studies 7.i, Oxford, 247-250. Goodall I. H. 1990d: Locks and Keys. In: Biddle M. (ed.), Object and Economy in medieval ­Winchester, Artefacts from medieval Winchester, Winchester Studies 7.i, Oxford, 1001-1035. Goodall I. H. 2011: Ironwork in Medieval Britain. An archaeological study, The Society for ­Medieval Archaeology Monograph 31, London. Bibliography 441 Goubitz O. 1987: Lederresten uit de stad Groningen: het schoeisel, Rijksdienst voor het Oudheid­ kundig Bodemonderzoek, 147-169. Goubitz O. 1988: Brugge op grote en kleine voet. Laat-middeleeuws schoeisel en andere leder­ resten. In: De Witte H. (red.), Brugge onderzocht. Tien jaar stadsarcheologisch onderzoek, Archeo- Brugge 1, Brugge, 151-159. Goubitz O. 2007: Purses in Pieces. Archaeological finds of late medieval and 16th-century leather purses, pouches, bags and cases in the Netherlands, Zwolle. Goubitz O., van Driel-Murray C. & Groenman-van Waateringe W. 2001: Stepping through Time. Archaeological Footwear from Prehistoric Times until 1800, Zwolle. Grant a. 1982: The use of tooth wear as a guide to the age of domestic ungulates. In: Wilson B., Grigson S. & Payne s. (eds), Ageing and Sexing Animal Bones from Archaeological Sites, BAR ­British Series 109, Oxford, 91-108. Greig J. 1981: The investigation of a medieval barrel-latrine from Worcester, Journal of Archaeologi- cal Science 8, 265-282. Greig J. 1994: Pollen analysis of latrine fills from archaeological sites in Britain. Results and future potential. In: Davis o.k. (ed.), Aspects of archaeological palynology: methodology and applications. AASP Contributions Series 29, 101-114. Grew F. & de Neergaard M. 1988: Shoes and pattens, Medieval finds from excavations in London 2, London. Groeneweg G. 1987: Aardewerk uit de Bergse bodem: de spreeuwpot, Brabants Heem 39, 154-167. Groeneweg g. 1992: Bergen op Zooms aardewerk. Vormgeving en decoratie van gebruiksaardewerk gedurende 600 jaar pottenbakkersnijverheid in Bergen op Zoom, Waalre. Gutiérrez A. 2000: Mediterranean pottery in Wessex households (13th to 17th centuries), BAR British Series 306, Oxford. Habermehl k.-h. 1975: Die Altersbestimmung bei Haus- und Labortieren (2. Auflage), Berlin. Haeck a. 2011: De leeuwengroten met het kruisje van Lodewijk van Male: een proeve van (her) classificatie. In: Jaarboek 2011 Europees Genootschap voor Munt- en Penningkunde, Herent, 1-28. Haers van der Meulen a. 1961: Toponymie van Aalst tot het einde der 15de eeuw, onuitgegeven licentiaatsverhandeling K.U.L., Aalst. Hähnel e. 1987: Siegburger Steinzeug. Bestandskatalog Band 1, Führer und Schriften des Rheini­ schen Freilichtmuseums und Landesmuseums für Volkskunde in Kommern 31, Köln. Hallavant C. & Ruas M.P. 2014: The first archaeobotanical evidence of Spinacia oleracea L. (spinach) in late 12th–mid 13th century AD France, Vegetation History and Archaeobotany 23(2), 153-165. Haneca K. 2012: Verslag dendrochronologisch onderzoek. Tonput van de archeologische site Hop- markt (04/AA.HOP/1282) te Aalst (prov. Oost- Vlaanderen), Rapporten Natuurwetenschappelijk Onderzoek, Onroerend Erfgoed RNO.OE.2012-006, Brussel. Haneca K. & Deforce K. (in druk): Gemineraliseerd hout op grafgiften. In: Annaert R. (red.), Het vroegmiddeleeuwse grafveld van Broechem (gem. Ranst-prov. Antwerpen, België), ­Merovingian Archaeology in the Low Countries 5, Bonn. Haneca K., Dewilde M., Ervynck A., Boeren I., Beeckman H., Goetghebeur P. & Wyffels f. 2009: De ‘houten eeuw’ van een Vlaamse stad. Archeologisch en dendrochronologisch onder­ zoek in Ieper (prov. West-Vlaanderen), Relicta 4, 99-134. 442 Archeologie en geschiedenis van een middeleeuwse woonwijk onder de Hopmarkt te Aalst Hänninen K., Snieder F. & Beyen F. 1994: 7 Bewerkt en onbewerkt hout. In: Krauwer M. & Snieder F. (red.), Nering en vermaak. De opgraving van een veertiende-eeuwse markt in Amersfoort, Amersfoort, 131-136. Harjula J. 2008: Before The Heels. Footwear and Shoemaking in Turku in the Middle Ages and the Beginning of the Early Modern Period, Archaeologia Medii Aevi Finlandiae XV, Turku. Harmuth E. 1975: Die Armbrust, Graz. Heege A., Volken M. & Volken S. 2002: Gerber und Schuster. In: Heege A., Einbeck im ­Mittelalter. Eine archäologisch-historische Spurensuche, Studien zur Einbecker Geschichte 17, ­Oldenburg, 294-299. Heikel h.v.a. 1959: On ossification and growth of certain bones of the rabbit; with a comparison of the skeletal age in the rabbit and in man, Acta Orthopaedica Scandinavica 29 (1-4), 171-184. Hejcman M., Hejcmanová P., Stejskalová M. & Pavlů V. 2014: Nutritive value of winter- collected annual twigs of main European woody species, mistletoe and ivy and its possible conse­ quences for winter foddering of livestock in prehistory, The Holocene 24(6), 659-667. Hejcmanová P., Stejskalová M. & Hejcman M. 2014: Forage quality of leaf-fodder from the main broad-leaved woody species and its possible consequences for the Holocene development of forest vegetation in Central Europe, Vegetation history and archaeobotany 23(5), 607-613. Hendrikse H. 1994: Boekbeslag. In: van Heeringen R. M., Hendrikse H. & Kuipers J. J. B. (red.), Geld uit de belt. Archeologisch onderzoek in de bouwput van de gemeentelijke parkeerkelder en het belastingkantoor aan de Kousteensedijk te Middelburg, Vlissingen, 60-61. Hendriksen M. 2004: Afgedamd en afgedankt. Metaalvondsten uit twee middeleeuwse neder­ zettingen in Leidschen Rijn, Utrechtse materiaalcatalogus 1, Utrecht. Heireman K. 1976: Philips De Dijn’s plan van Aalst (oktober 1629), Het Land van Aalst XXVIII, 1-25. Henkes H. 1994: Glas zonder glans, Vijf eeuwen gebruiksglas uit de bodem van de Lage Landen (1300-1800), Rotterdam Papers 9, Herent. Herremans D. 2010: De abdij van Clairefontaine, opbouw en evolutie van de 15de-eeuwse keuken en stove. In: Dewilde M., Ervynck a. & Becuwe f. (red.): Cenulae recens factae. Een huldeboek voor John De Meulemeester, Novi Monasterii 10, Koksijde-Gent, 211-225. Hillewaert B. & Ervynck a. 1991: Leerlooierskuipen langs de Eekhoutstraat. In: Jaarboek 1989- 1990. Brugge Stedelijke Musea, Brugge, 109-123. Hillman g. 1984: Interpretation of archaeological plant remains: the application of ethnographic models from Turkey. In: van Zeist W. & Casparie W.A. (eds), Plants and ancient man, Rotterdam, 1-41. Hoekstra T.J. 1979: Een stolp en enige vijzels, Westerheem XXVIII-4, Haarlem, 167-172. Homo-Lechner C. 1996: Sons et instruments de musique au Moyen Age. Archéologie musicale dans l’Europe du VIIe au XIVe siècles, Paris. Houbrechts D. & Pieters M. 1999: Tonnen uit Raversijde (Oostende, prov. West-Vlaanderen): een goed gedateerd verhaal over water- en andere putten, Archeologie in Vlaanderen V – 1995/1996, 225-261. Hughes G.B. 1954: Living crafts, New York. Hupperetz W. & Nijhof E. 1995: Ceramiek uit twee 14de-eeuwse beerputten aan het O.L.V-plein te Maastricht, Corpus Middeleeuws Aardewerk 11-12, ’s-Hertogenbosch. Bibliography 443 Hurst J. G. 1977: Langerwehe stoneware of the fourteenth and fifteenth centuries. In: Apted M.R., Gilyard-Beer R. & Saunders A.D. (eds), Ancient monuments and their interpretation. Essay ­presented to A.J. Taylor, London, 219-238. Hurst J.G., Neal D.S. & Van Beuningen h.j.e. 1986: Pottery produced and traded in north-west Europe 1350-1650, Rotterdam Papers VI, Rotterdam. Huysmans L. 1992: Onderzoek van plantenresten. Mestkuilen van het site huis de Lalaing te ­Oudenaarde (O.Vl.), Archaeologia Mediaevalis 15, 9-10. Jankovská V. & Kratochvílová I. 1988: Das Überdauern von Pollenkörnern an reifen Getreide­ samen: Beitrag zur Präzisierung einer Interpretation der pollenanalytischen Ergebnisse, Folia Geobotanica et Phytotaxonomica 23, 211-215. Janssen H.l. 1983a: Het middeleeuws aardewerk: ca. 1200 - ca. 1550. In: Janssen H.l. (red.), Van bos tot stad. Opgravingen in ‘s-Hertogenbosch, ‘s-Hertogenbosch, 188-222. Janssen h.l. 1983b: Later medieval pottery production in the Netherlands. In: Davey P. & H ­ odges R. (eds), Ceramics and Trade, Sheffield, 121-185. Janssen h.l. 1988: The dating and typologie of the earliest Siegburg stoneware in the Netherlands. In: Gaimster D., Redknap E. & Wegner H.-H.(eds), Zur Keramik des Mittelalters und der ­beginnende Neuzeit im Rheinland. Medieval and later pottery from the Rhineland and its markets, B.A.R. Int. Ser. 440, Oxford, 311-334. Janssen H. L. 2007a: Insignes, persoonlijke sieraden en kledingaccessoires. In: Janssen H.L. & Thelen A.A.J. (red.), Tekens van Leven, Opgravingen en vondsten in het Tolbrugkwartier in ’s-Hertogenbosch, Utrecht, 111-146. Janssen H. L. 2007b: Vrije tijd en muziek. In: Janssen H.L. & Thelen A.A.J. (red.), Tekens van Leven, Opgravingen en vondsten in het Tolbrugkwartier in ‘s-Hertogenbosch, Utrecht, 249-255. Janssen H.L. & Nijhof E. 2010: Fifteenth-century pottery production in ’s-Hertogenbosch. The excavation of two pottery workshops. In: De Groote K., Tys D. & Pieters M. (eds), Exchanging Medieval Material Culture. Studies on archaeology and history presented to Frans Verhaeghe, Relicta Monografieën 4, Brussel, 93-137. Janssen H. L. & Thelen A. A. J. (red.) 2007: Tekens van Leven, Opgravingen en vondsten in het Tolbrugkwartier in ‘s-Hertogenbosch, Utrecht. Jones G.E.M. 1984: Interpretation of archaeological plant remains: the application of ethnographic models from Greece. In: van Zeist W. & Casparie W.A. (eds), Plants and ancient man, Rotterdam, 43-61. Kamber P. & Kurzmann p. 2002: Ein metallurgisches Laboratorium des 13. Jahrhunders in Basel. In: Helmig G., Scholkmann B. & Untermann m. (eds), Centre - Region - Periphery. Medieval Europe, Basel 2002, Preprinted papers 1, Hertingen, 312-317. Keller C. 2012: Karolingerzeitliche Keramikproduktion am Rheinischen Vorgebirge. In: ­Grunwald L., Pantermehl H., Schreg r.(eds), Hochmittelalterliche Keramik am Rhein. Eine Quelle für Produktion und Alltag des 9. bis 12. Jahrhunderts, RGZM-Tagungen 13, Mainz, 209-224. Kelso G.K. & Solomon A.M. 2006: Applying modern analogs to understand the pollen content of coprolites, Palaeogeography, Palaeoclimatology, Palaeoecology 237(1), 80-91. Koldeweij J. 2006: Geloof & Geluk. Sieraad en Devotie in Middeleeuws Vlaanderen, Arnhem. Kooistra l.i. 1996: Borderland farming. Possibilities and limitations of farming in the Roman ­Period and Early Middle Ages between the Rhine and Meuse, Amersfoort. 444 Archeologie en geschiedenis van een middeleeuwse woonwijk onder de Hopmarkt te Aalst Kooistra L.I. & Hessing W.A.M. 1989: A tropical surprise in a Dutch early medieval well, ROB Overdrukken 324, Amersfoort. Körber-Grohne U. 1987: Nutzpflanzen in Deutschland. Kulturgeschichte und Biologie, Stuttgart. Korpiun p. 2007: Vaisselle et objets médiévaux en terre cuite à Valenciennes. Apports récents de l’archéologie urbaine, Valenciennes. Kottman J. 1996: Het glas. In: Vreenegoor E. & J. Kuipers (red.), Vondsten in Veere. Middel- eeuwse voorwerpen uit een beerput van huis ‘In den Struys’, Amersfoort-Middelburg, 57-59, 75. Kottman j. 1999: Glaswerk. In: Bartels m., Steden in scherven/cities in sherds. Vondsten uit beer- putten in Deventer, Dordrecht, Nijmegen en Tiel (1250-1900), Zwolle/Amersfoort, 261-274. Kurzmann p. 2007: Neues über die Destillation im Mittelalter, Zeitschrift für Archäologie des Mittelalters 35, 87-100. Küster H. 2000: II. E2 Sugar, The Cambridge world history of food 1, 437-448. Laleman m.c. & Raveschot p. 1984: Wellingstraat 103. Onderzoek van een laat-middeleeuwse woning, Stadsarcheologie 8-3, 18-38. Laleman M.C. & Vermeiren g. 2010: Ruimte en bebouwing in het centrum van het middel­ eeuwse Gent, Handelingen van de Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde te Gent N.R. LXIV-1, 3-56. Laloo P., Perdaen Y., De Clercq W. & Crombé p. 2008: Ijzertijdsporen in een Romeins land­ schap te Kluizen (Evergem, provincie Oost-Vlaanderen, België), Lunula. Archaeologia proto­ historica XVI, 77-85. Lambinon, J., De Langhe, J.E., Delvosalle, L. & Duvigneaud, J. 1998: Flora van België, het Groothertogdom Luxemburg, Noord-Frankrijk en de aangrenzende gebieden (Pteridofyten en Spermatofyten), Meise. Lange S. 2017: Uit het juiste hout gesneden. Houten gebruiksvoorwerpen uit archeologische context tot 1300 n. Chr., Nederlandse Archeologische Rapporten 054, Amersfoort. Lanting J.N., Kooi B.W., Casparie W.A. & Van Hinte R. 1999: Bows from the Netherlands, ­Journal of the Society of Archer-Antiquaries 42, 7-10. Laton N. 2003: Technologisch, typologisch, chronologisch onderzoek en sociaal-economische vraag- stelling van de ceramiek uit de ‘grote kuil’ van het Priester-Daensplein te Aalst (A86PD2), Onuit­ gegeven licentiaatsverhandeling VUB, Brussel. Laurioux B. 1992: De gouden eeuw der kruiden (14de -15de eeuw). In: Collet E., Specerijkelijk. De specerijenroutes, Tentoonstellingscatalogus, Brussel 27 maart - 14 juni 1992, Brussel, 60-68. Lawson G. 1990: Jew’s harp. In: Biddle M. (ed.): Object and Economy in medieval Winchester, ­Artefacts from medieval Winchester, Winchester Studies 7.ii, Oxford, 724-725. Lefèvre a. 1989: Lampes en céramique médiévales et post-médiévales de Saint-Denis. In: Blieck g. (dir.), Actes du Colloque de Lille (26-27 mars 1988), Numéro hors-série de Nord-Ouest ­Archéologie, Berck-sur-Mer199-201. Legros V. 2015: Archéologie de l’objet métallique aux époques Médiévale et Moderne en Picardie. Approches typologique et fonctionnelle, Revue Archéologique de Picardie 1/2, Senlis. Lemay N. & Roels e. (met een bijdrage van A. Lentacker) 2003: De toren van het Torregoed in Heurne (gem. Oudenaarde, prov. Oost-Vlaanderen), Archeologie in Vlaanderen VII - 1999/2000, Zellik, 115-130. Bibliography 445 Lepetz s. 1996: L’animal dans la société gallo-romaine de la France du Nord, Revue Archéologique de Picardie N° spécial 12, Amiens. Leroy-Langelin E. & Willot j.-m. 2012: Un quartier urbain médiéval de Douai revisité par l’archéologie: Saint-Albin du XIe au XIVe s. In: Leroy-Langelin E. & Willot j.-m. (red.), Du néolithique aux temps modernes 40 ans d’archéologie territoriale. Mélanges offerts à Pierre ­Demolon, Revue du Nord Hors-série Collection Art et Archéologie 17, Villeneuve d’Ascq, 421-445. Levis E. 1990: Van alle markten thuis. Deel XIV – Slot. De markt als terechtstellingsplaats, Ghendtsche Tydinghen, 19, 1, 25-50. Lindemans p. 1952, Geschiedenis van de landbouw in België, Antwerpen. Linskens H.F. & Jorde W. 1997: Pollen as food and Medicine – A review, Economic Botany 51, 78-87. Louis E. 1996: La céramique très décorée à Douai. L’Etat de question. In: Piton d. (dir.), La céra- mique très décorée dans l’Europe du nord-ouest (Xéme-XVème siècle). Actes du Colloque de Douai (7-8 avril 1995), Nord-Ouest Archéologie 7, 105-120. Louis e. 2012: Dérivations, fontaines et latrines. Eau propre et eaux sales à Douai, XIIIe-XIXe s.. In: Leroy-Langelin E. & Willot j.-m. (dir.), Du néolithique aux temps modernes 40 ans ­d’archéologie territoriale. Mélanges offerts à Pierre Demolon, Revue du Nord Hors série Collection Art et Archéologie 17, Villeneuve d’Ascq, 447-466. Lucas p. 1982: Monnaies seigneuriales mosanes, Walcourt. Lüdtke H. & Schietzel K. (eds) 2001: Handbuch zur mittelalterlichen Keramik in Nordeuropa. Band 3: Tafeln, Schriften des Archäologischen Landesmuseums 6, Neumünster. MacGregor A. 1985: Bone, Antler, Ivory and Horn. The Technology of Skeletal Materials Since the Roman Period, London & Sidney. Maes B., Bastiaens J., Brinkkemper O., Deforce K., Rövekamp C., Van Den Bremt P. & ­Z waenepoel A. 2006: Inheemse bomen en struiken in Nederland en Vlaanderen, Amsterdam-­Boom. Maia M., Russo-Almeida P.A. & Pereira J.O. 2005: Caracterização do Espectro Polinico dos Mélis do Alentejo (Portugal), Silva Lusitana 13, 95-103. Margeson S. 1993: Norwich Households: The Medieval and Post-Medieval Finds from Norwich Survey Excavations 1971-1978, East Anglian Archaeology 58, Norwich. Mariën M. 1984: Eléments d’arbalètes, Militaria Belgica, Brussel, 5-14. Martini S. 2010: Mittelalterliche und neuzeitliche Hufeisen im Rheinischen Landesmuseum Trier, Funde und ausgrabungen im bezirk Trier 42, Trier. Massart c. 2001: Etude archéologique de l’impasse du Papier (1996). In: Blanquaert P., ­Demeter S., De Poorter A., Massart C., Modrie S., Nachtergael I. & Siebrand m. 2001: Autour de la première enceinte/Rond de eerste stadsomwalling, Archeologie in Brussel 4, Brussel, 262-299. Michelot A., Simard S., Rathgeber C., Dufrêne E. & Damesin C. 2012: Comparing the intra- annual wood formation of three European species (Fagus sylvatica, Quercus petraea and Pinus sylvestris) as related to leaf phenology and non-structural carbohydrate dynamics, Tree physiology 32(8), 1033-1045. Mitchiner m. 1988: Jetons, medalets & tokens. The medieval period and Nuremberg Vol. I, Londen. 446 Archeologie en geschiedenis van een middeleeuwse woonwijk onder de Hopmarkt te Aalst Moens J. 2013: Korenmarkt: leervondsten uit archeologisch onderzoek. In: Bru M.-A. & ­Vermeiren g. (red.), Archeologisch onderzoek in Gent 2012, Stadsarcheologie. Bodem en Monu­ ment in Gent, reeks 2, 6, 50-92, Gent. Moens J. 2015: Leerresten uit het archeologisch onderzoek op het Sint-Martensplein, de Oude Vismarkt en de Stoofstraat te Aalst, Relicta 13, 125-156. Moens J., Ameels V. & De Groote k. 2011a: Archeologisch noodonderzoek naar het voormalige Hof van Peene te Baasrode (Prov. O.-Vl.), Relicta 8, 47-82. Moens J., Bellens T. & Minsaer K. 2015a: Afval van schoenlappers/oudeschoenmakers uit een drinkpoel op de Antwerpse Kiliaansite, Relicta 12, 219-265. Moens J., Klinkenborg S., De Maeyer W., Clement C. & Cherreté B. 2011b: Afval van schoenlappers/oud-schoenmakers en versleten schoeisel uit Ninove (prov. Oost-Vlaanderen), ­Relicta 7, 101-120. Moens J., Troubleyn L. & Kinnaer f. 2015b: Het afval van schoenlappers/oudeschoenmakers uit de site Ganzendries te Mechelen, Relicta 13, 157-200. Moore P.D., Webb J.A. & Collinson M.E. 1991: Pollen Analysis, 2nd edition, Oxford. Morris r. 2000: The Archaeology of Buildings, Stroud. Mould Q., Carlisle I. & Cameron E. 2003: Craft, Industry and Everyday Life: Leather and Leatherworking in Anglo-Scandinavian and Medieval York, The archaeology of York - The Small Finds 17/16, York. Murray J. E. L. & Van Nerom c. 1983: Monnaies “au globe et à la croix” appartenant à des collec­ tions Belges, Revues Belge de Numismatique et de Sillographie CXXIX, 91-118. Neu-Kock R. 1988: Irdene Kleinplastik im Spätmittelalter. In: Naumann J. (Hrsg.), Keramik vom Niederrhein. Die Irdenware der Düppen-und Pottbäcker zwischen Köln und Kleve, Veröffent­ lichungen des Kölnischen Stadtmuseums 4, Köln, 179-186. Neu-Kock R. 1993: Eine ‘’Bilderbäcker’’-Werkstatt des Spätmittelalters an der Goldgasse in Köln, Zeitschrift für Archäologie des Mittelalters 21, 3-70. Niedziałkowska M., Hundertmark K.J., Jędrzejewska B., Sidorovich V.E., Zalewska H., Veeroja R., Solberg E.J., Laaksonen S., Sand H., Solovyev V.A., Sagaydak A., Tiainen J., Juškaitis R., Done G., Borodulin V.A., Tulandin E.A. & Niedziałkowski K. 2016: The contemporary genetic pattern of European moose is shaped by postglacial recolonization, bottlenecks, and the geographical barrier of the Baltic Sea, Biological Journal of the Linnean Society 117 (4), 879-894. Nijhof E. 2007: Wapens en paardentuig. In: Janssen H.L. & Thelen A.A.J. (red.), Tekens van Leven, Opgravingen en vondsten in het Tolbrugkwartier in ’s-Hertogenbosch, Utrecht, 240-248. Nijhof E. & Janssen h.l. 2007a: Beeldmerken van Heiligen. De verering van Catharina, Barbara en Agatha in laatmiddeleeuws ‘s-Hertogenbosch, Brabants Heem 60 (3-4), 92-101. Nijhof E. & Janssen H.L. 2007b: Huisraad. In: Janssen H.L. & Thelen A.A.J. (red.), Tekens van Leven, Opgravingen en vondsten in het Tolbrugkwartier in ‘s-Hertogenbosch, Utrecht, 190-217. Ottaway P. & Rogers N. 2002: Craft, Industry and Everyday Life: Finds from Medieval York, The archaeology of York - The Small Finds 17/15, York. Paalman D.B.S. 2002: Basisrapportage opgraving Spuiweg / Spuiboulevard, Dordrecht. Pals J.-P. 1997: De introductie van cultuurgewassen in de Romeinse Tijd. In: Zeven A.C. (ed.), De introductie van onze cultuurplanten en hun begeleiders van het Neolithicum tot 1500 AD, Vereni­ ging voor Landbouwgeschiedenis, Wageningen, 25-51. Bibliography 447 Payne-Gallwey R. 2007: The Crossbow. Its Military and Sporting History, Construction and use, New York. Pede R. & Clement c. 2013: Den bergh mette waetere(n) ende ommegracht: resten van een site met walgracht in de Korte Nieuwstraat te Aalst (O.-Vl.), Archaeologia Mediaevalis 36, 113-114. Pede R., Clement C. & Cherretté B. 2012: Aalst Korte Nieuwstraat – Archeologisch Voor­ onderzoek, Solva Archeologie-Rapport 34, Aalst. Phillips R. & Rix m. 1994: Groente. Spectrum natuurgids, Den Haag. Pieters m. 2013: Onderzoek van een 15de-eeuwse sector van het middeleeuwse vissersdorp ­Walraversijde. In: Pieters m. et al. 2013, Het archeologisch onderzoek in Raversijde (Oostende) in de periode 1992-2005, Relicta Monografieën 8, Brussel, 119-530. Pieters M., Baeteman C., Bastiaens J., Bollen A., Clogg P., Cooremans B., De Bie M., De Buyser F., Decorte G., Deforce K., De Groote A., Demerre I., Demiddele H., Ervynck A., Gevaert G., Goddeeris T., Lentacker A., Schietecatte L., Vandenbruaene M., Van Neer W., Van Strydonck M., Verhaeghe F., Vince A. ,Watzeels S. & Zeebroek I. 2013: Het archeologisch onderzoek in Raversijde (Oostende) in de periode 1992-2005, Relicta Monografieën 8, Brussel. Pieters M., Cooremans B., Ervynck A. & Van Neer w. 1994: Van akkerland tot Heilige Geest­ kapel. Een kijk op de evolutie van de bewoningsgeschiedenis in de Kattestraat te Aalst (prov. Oost- Vlaanderen), Archeologie in Vlaanderen III-1993, 299-329. Pieters M., De Groote K., Ervynck A. & Callebaut d. 1999: Tussen kapel en kerk: een archeo­ logische kijk op de dorpskern van Moorsel, Archeologie In Vlaanderen V-1995/1996, 131-157. Pieters M., Dewilde M., Impens Y. & Tratsaert B. 1995a: Zes eeuwen bewoningsgeschiedenis op het Mijnplein te Oostende (prov. West-Vlaanderen) Interimverslag, Archeologie in Vlaanderen IV-1994, 187-203. Pieters M., Ervynck A., Van Neer W. & Verhaeghe F. 1995b: Raversijde: een 15de-eeuwse kuil, een lens met platvisresten, en de betekenis voor de studie van de site en haar bewoners, Archeologie in Vlaanderen IV-1994, 253-277. Plumier J. & Pleuger J. L. 1986: Le château de Hauteroche à Dourbes (com. De Viroinval), ­Archaeologia Belgica II-1, Brussel, 109-112. Plumier J. & Pigière f. 1996: Un atelier de potiers du XIVe siècle, Rue du Tan. In: Plumier j. (dir.), Cinq années d’archéologie en province de Namur 1990-1995, Études et Documents Fouilles 3, Namur, 111-115. Poey D’avant f. 1961: Monnaies feodales de France, 3 volumes, Graz. Pryor S. & Blockley K. 1978: A 17th century kiln site at Woolwich, Post-Medieval Archaeology 12, 30-85. Punt W. (ed.) 1976: The Northwest European Pollen Flora 1, Amsterdam. Punt W. & Blackmore S. (eds) 1991: The Northwest European Pollen Flora 6, Amsterdam. Punt W., Blackmore S. & Clarke G.C.S. (eds) 1988: The Northwest European Pollen Flora 5, Amsterdam. Punt W. & Blackmore S. & Hoen P. (eds) 1995: The Northwest European Pollen Flora 7, Amsterdam. Punt W. & Clarke g.c.s. (eds) 1980: The Northwest European Pollen Flora 2, Amsterdam. Punt W. & Clarke G.C.S. (eds) 1981: The Northwest European Pollen Flora 3, Amsterdam. 448 Archeologie en geschiedenis van een middeleeuwse woonwijk onder de Hopmarkt te Aalst Punt W. & Clarke G.C.S. (eds) 1984: The Northwest European Pollen Flora 4, Amsterdam. Punt W. & Clarke G.C.S. (eds) 2003: The Northwest European Pollen Flora 8, Amsterdam. Puype J. P. & Stevens H. 2010: Arms and Armour of Knights and Landsknechts in the Netherlands Army Museum. Wapens van ridders en landsknechten in het Nederlands Legermuseum, Delft. Quanter R. 1901: Die Schand- und Ehrenstrafen in der Deutschen Rechtspflege, Dresden. Rasmussen p. 1993: Analysis of goat / sheep faeces from Egolzwil 3, Switzerland: evidence for branch and twig foddering of livestock in the Neolithic, Journal of Archaeological Science 20, 479-502. Rees H., Crummy N., Ottaway P.J. & Dunn G. 2008: Artefacts and society in Roman and medieval Winchester. Small finds from the suburbs and defences, 1971-1986, Winchester. Reille M. 1992: Pollen et spores d’Europe et d’Afrique du Nord. Laboratoire de Botanique historique et Palynologie, Marseille. Reille M. 1994: Pollen et spores d’Europe et d’Afrique du Nord: Supplement I, Marseille. Reimer P.J., Bard E., Bayliss A., Beck J.W., Blackwell P.G., Bronk Ramsey C., Grootes P.M., Guilderson T.P., Haflidason H., Hajdas I., HattŽ C., Heaton T.J., Hoffmann D.L., Hogg A.G., Hughen K.A., Kaiser K.F., Kromer B., Manning S.W., Niu M., Reimer R.W., Richards D.A., Scott E.M., Southon J.R., Staff R.A., Turney C.S.M. & van der Plicht J. 2013: IntCal13 and Marine13 radiocarbon age calibration curves 0-50,000 years cal BP, Radiocarbon 55- 4, 1869–1887. Reyns n. 2015: Consumptie van glazen drinkgerei in de Schelde- en Maasvallei tijdens de 16de tot 18de eeuw. Een zoektocht naar het ontstaan van een consumptiemaatschappij, Volume 3, Onge­ publiceerde doctoraatsverhandeling VUB, Brussel. Reyntens o. 1906: Oorkondenboek der Stad Aelst. Boek met den Haire, Oudheidkundige Kring Land van Aelst, Aalst. Reyntens o. 1913: Het St.-Jorisgilde te Aelst, Annalen van den Oudheidkundigen kring van de stad en het voormalig Land van Aelst 9, 27-103. Richter H. 2006: Die Hornbogenarmbrust. Geschichte und Technik, Ludwigshafen. Roberts-Jones P. & Roberts-Jones f. 1997: Pieter Bruegel De Oudere, Gent. Robinson M.A. & Hubbard R.N.L.B. 1977: The transport of pollen in the bracts of hulled cereals, Journal of Archaeological Science 4, 197-99. Rocha G.C.D., Harter-Lailheugue S., Le Bailly M., Araúj A., Ferreira L.F., Serra-Freire N.M.D & Bouchet F. 2006: Paleoparasitological remains revealed by seven historic contexts from “Place d’Armes”, Namur, Belgium, Memórias do Instituto Oswaldo Cruz 101, 43-52. Roehmer M. 2001: Steinzeug. In: Lüdtke H. & Schietzel K. (Hrsg.), Handbuch zur mittelalter- lichen Keramik in Nordeuropa, Schriften des Archäologischen Landesmuseums 6, Neumünster, 465-538. Roes A. 1963: Bone and antler objects from the Frisian Terp-Mounds, Haarlem. Rosenberg P.T.E.E. 1988: Doelengebouwen en doelenterreinen in de Hollandse steden. In: ­Carasso-Kok M. & Levy-van Ham j. (red.), Schutters in Holland. Kracht en zenuwen van de stad, Zwolle, 54-73. Runhaar J., Groen C.L.G., van der Meijden R. & Stevers R.A.M. 1987: Een nieuwe indeling in ecologische groepen binnen de Nederlandse flora, Gorteria 13, 277-359. Bibliography 449 Sanderus a. 1644: Flandria Illustrata, volume 2, Moerbeke. (Heruitgave drukkerij E. Veys, 1973, Tielt). Sanke m. 2002: Die mittelalterliche Keramikproduktion in Brühl-Pingsdorf: Technologie - Typologie -Chronologie, Rheinische Ausgrabungen 50, Mainz. Sass-Klaassen U., Sabajo C. R. & den Ouden J. 2011: Vessel formation in relation to leaf pheno­ logy in pedunculate oak and European ash, Dendrochronologia 29(3), 171-175. Sawyer R. 1988: Honey Identification, Cardiff. Schaminée, J.H.J., Weeda E.J. & Westhoff V. 1998: De vegetatie van Nederland, 4: planten­ gemeenschappen van kust en binnenlandse pioniermilieu’s, Leiden. Schietecatte E. 2003: Laat- en postmiddeleeuws leder uit het verlaten vissersdorp ‘Walraver­ sijde’ (stad Oostende, prov. West-Vlaanderen), Archeologie in Vlaanderen VII - 1999/2000, 141-200. Schnack C. 1992: Die mittelalterlichen Schuhe aus Schleswig, Ausgrabungen in Schleswig, Berichte und Studien 10, Neumünster. Schnack C. 1994: Mittelalterliche Lederfunde aus Konstanz (Grabung Fischmarkt), Materialhefte zur Archäologie in Baden-Wurtemberg 26, Stuttgart. Schrickx C. 2015: Bethlehem in de Bangert: Een historische en archeologische studie naar de ontwik- keling van een vrouwenklooster onder de Orde van het Heilig Kruis in het buitengebied van Hoorn (1475-1572), Hilversum. Schoch W., Heller I., Schweingruber F. H. & Kienast F. 2004: Wood anatomy of central European Species. Online version: www. woodanatomy.ch. Schubert E. 2002: Novgorod, Brügge, Bergen und London: Die Kontore der Hanse, Concilium medii aevi 5, 1-50. Schweingruber F.H. 1990: Microscopic Wood Anatomy, structural variability of stems and twigs in recent and subfossil woods from Central Europe, Birmensdorf. Schynkel E., De Groote K., Lentacker A., Ervynck A. & Vandendriessche h. 2012: ­Interimrapport van het archeologisch onderzoek te Aalter-Woestijne, Zone 2 (prov. Oost-Vlaanderen), Intern Rapport Onroerend Erfgoed 1, Brussel. Sensfelder J. 2007: Crossbows in the Royal Netherlands Army Museum, Delft. Sergant j. 2004: Steentijdvondsten in de regio Aalst Oost-Vlaanderen en Brabant België, Archeo­ logische Inventaris Vlaanderen. Buitengewone reeks 8, Gent. Silver i.a. 1963: The ageing of domestic animals. In: Brothwell D. & Higgs e. (eds), Science in Archaeology, Londen, 250-268. Sirot e. 2007: Noble et forte maison. L’habitat seigneurial dans les campagnes médiévales du milieu du XIIe au début du XVIe siècle, Espaces Médiévaux, Paris. Slicher van Bath B. 1987: De agrarische geschiedenis van West-Europa 500-1850, Utrecht-Antwerpen. Snieder F. 1994: Van drenkplaats tot vuilisbelt. In: Krauwer M. & Snieder F. (red.), Nering en vermaak. De opgraving van een veertiende-eeuwse markt in Amersfoort, Amersfoort, 159-161. Sorber f. 1998: The making of cloth. State of the art technology in the Middle Ages. In: Dewilde M., Ervynck A. & Wielemans a. (eds), Ypres and the medieval cloth industry in Flanders. Ieper en de middeleeuwse lakennijverheid in Vlaanderen, Archeologie in Vlaanderen Monografie 2, Zellik, 21-29. 450 Archeologie en geschiedenis van een middeleeuwse woonwijk onder de Hopmarkt te Aalst Spencer B. 1998: Pilgrim Souvenirs and Secular Badges, Medieval finds from excavations in London 7, London. Stabel P. 1997. “Dmeeste, oirboirlixste ende proffitelixste let ende neringhe”. Een kwantitatieve benadering van de lakenproductie in het laatmiddeleeuwse en vroegmoderne Vlaanderen, ­Handelingen van de Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde te Gent, N.R. 51, 113-153. Steppuhn p. 2016: Mittelalterliche und frühneuzeitliche Glasfunde aus der Altstadt von Lübeck, Lübecker Schriften zur Archäologie und Kulturgeschichte 30, Rahden. Stokstad M. & J. Stannard 1983: Gardens of the middle ages, Kansas. Stieperaere H. & Fransen K. 1982: Standaardlijst van de Belgische vaatplanten met aanduiding van hun zeldzaamheid en socio-ecologische groep, Dumortiera 22, 1-41. Stilke H. 2001: Katalog der Münzschatzgefässe. In: Lüdtke H. & Schietzel K. (Hrsg.), Hand- buch zur mittelalterlichen Keramik in Nordeuropa, Schriften des Archäologischen Landesmuseums 6, Neumünster, 763-946. Strickland M. & Hardy R. 2005: From Hastings to the Mary Rose. The Great Warbow, Thrupp. Stroobants A. & Balthau e.1991: Ceramiek en glas uit de Zwijveke abdij te Dendermonde, Dendermonde. Swinnen m. 1989: ‘Spreeuwenpotten: een heel verhaal…’, Tijdschrift Mechelse Vereniging voor ­Archeologie 10-3, 41-47. Swinnen m. 1991: Sgrafitto-aardewerk met (semi-)religieuze teksten, Tijdschrift Mechelse Vereni- ging voor Archeologie, 12-2, 11-14. Sykes N. & Simmons r. 2007: Sexing cattle horn-cores: problems and progress, International Journal of Osteoarchaeology 17 (5), 514-523. Tamis W.L.M., van der Meijden R., Runhaar J., Bekker R.M., Ozinga W.A., Odé B. & Hoste i. 2004: Standaardlijst van de Nederlandse flora 2003, Gorteria 30 (4/5), 101-196. Taylor C.C. 1978: Moated sites: their definition, form, and classification. In: Aberg F.A. (ed.), Medieval moated sites, Council for British Archaeology, Research Report 17, London, 5-13. Tegel W., Muigg B. & Büntgen U. 2016: The wood of Merovingian weaponry, Journal of Archaeo- logical Science 65, 148-153. Termote j. 1988: Een vondstgroep uit de eerste helft van de 16de eeuw in de Duinenabdij te ­Koksijde, De Duinen 18, 25-35. Termote D. 2007: Materiaalstudie van kruisboog fragmenten uit een 15de-eeuwse context op de Hopmarkt in Aalst, Ongepubliceerde Bachelorpaper V.U.B., Brussel. Theys C. 1957: De grote stadsbrand te Aalst, Het Land van Aalst IX, 252. Thienpont D., Rochette F. & Vanparijs O.F.J. 1979: Diagnose van verminose door koprologisch onderzoek, Janssen Research Foundation, Beerse. Thier B. 2012: Ausgewählte Aspekte zur Kindheit im Mittelalter und in der frühen Neuzeit in Münster. In: Gläser M.(ed.) 2012: Kindheit und Jugend Ausbildung und Freizeit, Lübecker ­Kolloquium zur Stadtarchäologie im Hanseraum 8, Lübeck, 285-297. Tieghem G., Singer M. & Delecaut M. 1989: Le couvre-feu dans le nord de la France aux XIIIe - XIVe siècles. In: Blieck G. (réd), Actes du Colloque de Lille (26-27 mars 1988), Numéro hors-série de Nord-Ouest Archéologie, Lille, 183-189. Bibliography 451 Tilley E.W. 1963: Researches and discoveries in Kent. Gravesend: seventeenth-eighteenth century finds, Archaeologia Cantiana LXXVII-1962, 196-199. Treling j.r. 2007: Materiële cultuur van het klooster. In: Janssen H.L. & Thelen a.a.j. (red.): ­Tekens van leven. Opgravingen en vondsten in het Tolbrugkwartier in ’s-Hertogenbosch, Utrecht, 89-92. Troubleyn L., Kinnaer F., Ervynck A. (red.) 2007: Het Steen en de burgers. Onderzoek van de laatmiddeleeuwse gevangenis van Mechelen, Mechelen. Troubleyn L., Kinnaer F., Ervynck A., Beekmans L., Caluwé D., Cooremans B., De Buyser F., Deforce K., Desender K., Lentacker A., Moens J., Van Bulck G., Van Dijck M., Van Neer W., Wouters W. 2009: Consumption patterns and living conditions inside Het Steen, The late medieval prison of Malines (Mechelen, Belgium), Journal of Archaeology in the Low Countries 1, 5-47. Tümpel C. 1988: De Amsterdamse schuttersstukken. In: Carasso-Kok M. & Levy-van Ham j. (red.), Schutters in Holland. Kracht en zenuwen van de stad, Zwolle, 74-103. Tutin T.G., Heywood V.H., Burges N.A., Valentine D.H., Walters S.M. & Webb D.A. 1964-1980: Flora Europaea, vols. 1-5, Cambridge. Tys D. 2010: Medieval moated sites in coastal Flanders: the impact of social groups on the forma­ tion of the landscape in relation to the early estates of the Count of Flanders. In: De Groote K., Tys D. & Pieters m. (eds), Exchanging Medieval Material Culture. Studies on archaeology and ­history presented to Frans Verhaeghe, Relicta Monografieën 4, Brussels, 289-301. Ulbricht I. 1984: Die Verarbeitung von Knochen, Geweih und Horn im mittelalterichen Schleswig, Ausgrabungen in Schleswig. Berichten und Studien 3, Neumünster. Van Bellingen S. & Dewilde m. 1995: De verdwenen Sint-Michielswijk te Ieper, Archeologie in Vlaanderen IV-1994, 149-167. van Beuningen H. J. E., Koldeweij A. M. & Kicken D. 2001: Heilig en Profaan 2. 1200 Laat­ middeleeuwse insignes uit openbare en particuliere collecties, Rotterdam Papers 12, Cothen. van Beuningen H. J. E., Koldeweij A. M., Kicken D., van Asperen H., Piron H. W. J., van ’t Hof S. E. & Gertsen W. 2012: Heilig en Profaan 3. 1300 Laatmiddeleeuwse insignes uit ­openbare en particuliere collecties, Rotterdam Papers 13, Langbroek. Van Calenberghe h. 2014: Schotse munt verovert de Lage Landen, Koninklijke Maatschappij Numismatica Brugge en het Vrije, Maandblad voor Numismatiek 24 (2), 35-48 en 24 (3), 69-79. Vandenberghe S. 1975: Ornitomorfe dakversieringen uit Mechelse opgravingen, Westerheem XXIV (6), 269-271. Vandenberghe s. 1982: Les verres de l’époque médiévale et post-médiévale découverts au cours de fouilles récentes à Malines, Zeitschrift für Archäologie des Mittelalters 10, 133-145. van den Heuvel W. 1994: Speelkoten en speelschijven. In: Krauwer M. & Snieder F. (red.), Nering en vermaak. De opgraving van een veertiende-eeuwse markt in Amersfoort, Amersfoort, 159-161. Van Den Nieuwenhof w. 2005: Een onbeschreven dubbele mijt van Karel V, Jaarboek van het Europees Genootschap voor Munt- en Penningkunde 2005, 195-199. van de Venne D. & Snieder F. 1994: Ceramiek. In: Krauwer M. & Snieder F. (red.), Nering en vermaak. De opgravingen van een 14de-eeuwse markt in Amersfoort, Amersfoort, 61-92. van de Vrie D.M. & Janssen H.L. 1997: Het archeologisch onderzoek van de middeleeuwse ­bebouwing op het Sint Janskerkhof. In: Boekwijt H.W. & Janssen H.L. (red.), Bouwen en wonen in de schaduw van de Sint Jan, Kroniek Bouwhistorisch en Archeologisch onderzoek ’s-Hertogenbosch nr. 2, ’s-Hertogenbosch, 48-139. 452 Archeologie en geschiedenis van een middeleeuwse woonwijk onder de Hopmarkt te Aalst Van de Walle R. 1982: Bewerkt been, gewei, hoorn en ivoor, Stadsarcheologie 6-2, Gent, 2-36. Van De Walle-Van der Woude T. Y. 1989: Een 14e-eeuws industriecomplex te Monnickendam – Het leer. In: Heidinga H.A. & van Regteren Altena H.H. (eds), Medemblik and Monnicken- dam. Aspects of Medieval urbanisation in Northern Holland, Amsterdam, 69-102. Vande Winkel G., Cock M., Mertens W., Robijns L., Van Bockstaele G., Van de Perre D. & Vernaeve w. 2008: Gezicht op de steden Aalst, Ninove en Geraardsbergen. Verklarende teksten bij de uitgave van de originele stadsplattegronden van Jacob van Deventer (circa 1565) (Brussel KB; Madrid BN), Land van Aalst LX (4), 222-315. van Driel-Murray C. 1981: Laat-middeleeuws schoeisel uit een beerput in de Latijnse school te Leiden, Bodemonderzoek in Leiden - 1980, 47-60. van Egmond W. S. & Mostert M. 2001: Spelen in de Middeleeuwen. Over schaken, dammen, ­dobbelen en kaarten, Hilversum. Van Gelder H. & Hoc m. 1960: Les monnaies des Pays-Bas bourguignons et espagnols 1434-1713, Amsterdam. van Haaster H. 1997a: Plantaardige en dierlijke resten uit de Middeleeuwen. De resultaten van het oecologisch onderzoek op het Sint Janskerkhof. In: Boekwijt h.w. & Janssen h.L. (eds), Bouwen & Wonen in de Schaduw van de Sint Jan. Kroniek Bouwhistorisch en Archeologisch Onder- zoek ’s-Hertogenbosch 2, ’s-Hertogenbosch, 140-162. van Haaster H. 1997b: De introductie van cultuurgewassen in de Nederlanden tijdens de ­Middeleeuwen. In: Zeven A.C. (red.), De introductie van onze cultuurplanten en hun begeleiders van het Neolithicum tot 1500 AD, Wageningen, 53-104. van Haaster H. 2008: Archaeobotanica uit ’s-Hertogenbosch. Milieuomstandigheden, bewonings- geschiedenis en economische ontwikkeling in en rond een (post)middeleeuwse groeistad, Groningen. van Haaster H. 2010: Voedingsgewoonten en menselijke activiteit op het terrein van het Sint-­ Ursulaklooster in Delft, BIAXiaal 463, Zaandam. van Haaster H. 2011: Archeobotanisch onderzoek in het plangebied Beneden Molendijk in Oud- Beijerland (16e-19e eeuw), BIAXiaal 530, Zaandam. van Haaster H. 2012: Een archeobotanisch kijkje in de keuken van het paleis Huys ter Nieuburch in Rijswijk (1635-1786), BIAXiaal 519, Zaandam. van Haaster H., Brinkhuizen D.C. & Zeiler J.T. 2001: Archeobotanisch en -zoölogisch on­ derzoek van twee beerputten (1450-1575) aan de Voorstraat in Kampen, BIAXiaal 125, Zaandam. van Heeringen R. M., Hendrikse H. & Kuipers J. J. B. (red.) 1994: Geld uit de belt. Archeologisch onderzoek in de bouwput van de gemeentelijke parkeerkelder en het belastingkantoor aan de ­Kousteensedijk te Middelburg, Vlissingen. Vanhoudt h. 1996: Atlas der munten van België, Herent. Vanholme N. & De Groote k. 2011: Studie van het aardewerk en bouwmaterialen. In: Vanholme n. (red.), Archeologisch en historisch onderzoek Mechelen-Arresthuis (prov. Antwerpen), Intern VIOE-rapport 09, Brussel, 95-264. Van Hove m.-l., Chantinne F. & Willems d. 2014: Dans la clôture d’une grande abbaye: ­premiers résultats des recherches archéologiques menées sur la place de Nivelles (2009-2011), ­Medieval and Modern Matters 3-2012, 165-209. Van Hove S., Bracke M. & De Groote k. 2013: Warm, warmer, heet. Op het spoor van de ­ ottenbakkers van Aalst, Ex Situ. Tijdschrift voor archeologie in Vlaanderen 3, april 2013, 20-28. p Bibliography 453 Vanmontfort B., Geerts A.-I., Casseyas C., Bakels C., Buydens C., Damblon F., Langohr R., van Neer W. & Vermeersch p. m. 2004: De Hel in de tweede helft van het 5de millennium v. Chr. Een midden-neolithische enclosure te Spiere (prov. West-Vlaanderen), Archeologie in ­Vlaanderen 8-2001/2002, 9-77. Van Neer W. & Ervynck a. 1993: Archeologie en vis, Herlevend verleden 1, Zellik. Van Neer W. & Ervynck a. 1994: New data on fish remains from Belgian archaeological sites. In: Van Neer w. (ed.), Fish exploitation in the past. Proceedings of the 7th Meeting of the ICAZ Fish Remains Working Group, Annalen van het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika, Tervuren, België. Zoologische Wetenschappen n° 274, 217-229. Van Nuffel P. 1914: Historiek der oude straten, markten, pleinen en gebouwen der stad Aalst met sagen en vertellingen, Aalst. Van Nuffel P. 1922: De Omgang met het Allerheiligste te Aalst, Aalst. van Oosten R. & Bult E. 2012: Het laatmiddeleeuwse bakpannenraadsel: voer voor archeozoö­ logen? In: van Genabeek R., Nijhof E., Schipper F. & Treling j., Putten uit het Bossche v­ erleden. Vriendenbundel voor Hans Janssen ter gelegenheid van zijn afscheid als stadsarcheoloog van­ ’s-Hertogenbosch, Alphen a/d Maas, 234-249. Vansteenkiste j. 2005: De historische vakwerkbouw in West-Vlaanderen, Bredene. Vansweevelt J., Van De Vijver K., Debruyne S. & Annaert r. 2010: De ijzertijdvondsten op de aardgasvervoerleiding DN400 Ranst-Lier (provincie Antwerpen, België), Lunula. Archaeologia protohistorica XVIII, 125-129. van Uytven R. 1992: Specerijen en kruiden in de Zuidnederlandse steden. In: Collet e., ­Specerijkelijk. De specerijenroutes, Tentoonstellingscatalogus, Brussel 27 maart - 14 juni 1992, ­Brussel, 74-89. Van Zeist W. & Woldring H. 2000: Plum (Prunus domestica L.) varieties in late- and post-­ medieval Groningen: the archaeobotanical evidence, Palaeohistoria (1997/1998) 39/40, 563-576. Van Zeist W., Cappers R.T.J., Ouderkerken M.G., Palfenier-Vegter R.M., de Roller G.J. & Vrede F. 2000: Cultivated and wild plants in late- and post-medieval Groningen. A study of archae- ological plant remains, Groningen. Veeckman J. 1996: Uit zand en as… Een uitzonderlijk glasvondst uit de Zwartzustersstraat, ­Berichten en Rapporten over het Antwerps Bodemonderzoek en Monumentenzorg 1, 11-37. Verbeke j. 2005: “Die Befehlstelle auf dem Hopmarkt”. Bommen op Aalst 1940-1945, Aalst. Verhaeghe f. 1981: Moated sites in Flanders: features and significance. In: Hoekstra T.J., Janssen H.J. & Moerman i.w.l. (red.), Liber Castellorum. 40 variaties op het thema kasteel, ­Zutphen, 98-121. Verhaeghe F. 1988a: Een duifvormige nokversiering in het middeleeuwse Poederlee. In: Jaarboek van de Heemkundige kring Norbert de vrijter 5-1987, Lille, 5-40. Verhaeghe f. 1988b: Middeleeuwse en latere ceramiek te Brugge. Een inleiding. In: De Witte  h. (red.), Brugge onder-zocht. Tien jaar stadsarcheologisch onderzoek, Brugge, 71-114. Verhaeghe f. 1989: Middeleeuwse tuitkannen: metaal, ceramiek en ambachtelijke competitie, Westvlaamse Archaeologica 5-3, 65-83. Verhaeghe f. 1995: Het vroeg-Middeleeuwse geglazuurde aardewerk uit Oost-Souburg. In: van Heeringen R.M., Henderikx P.A. & Mars A. (red.), Vroeg-middeleeuwse ringwalburgen in Zeeland, Amersfoort, 155-169. 454 Archeologie en geschiedenis van een middeleeuwse woonwijk onder de Hopmarkt te Aalst Vlierman K. 1996: ‘…Van Zintelen, van Zintelroeden ende Mossen…’. Een breeuwmethode als hulp- middel bij het dateren van scheepswrakken uit de Hanzetijd, Scheepsarcheologie I, Lelystad. Volken M. 2014: Archaeological Footwear. Development of shoe patterns and styles from Prehistory till the 1600’s, Assen. von den Driesch a. 1976: A guide to the measurement of animal bones from archaeological sites, Bulletin of the Peabody Museum for Natural History, Yale University 1, 1-137. von den Driesch A. & Boessneck j. 1974: Kritische Anmerkungen zur Widerristhöhenberech­ nung aus Längenmassen vor- und frühgeschichtlicher Tierknochen, Säugetierkundliche Mit­ teilungen 22 (4), 325-348. Wardle A. 1998: Musical Instruments. In: Egan G., The Medieval Household Daily Living c. 1150-c. 1450, Medieval finds from excavations in London 6, London, 283-290. Warmenbol E. & Le Clercq w. 2010: A propos de la nécropole d’Alphen. Les collections Louis Stroobant (province de Noord-Brabant, Pays-Bas), Lunula. Archaeologia protohistorica XVIII, 79-81. Weeda E.J., Westra R., Westra C. & Westra T. 1985: Nederlandse ecologische flora. Wilde planten en hun relaties 1, Deventer. Weeda, E.J., Westra, R., Westra, C. & Westra t. 1987: Nederlandse ecologische flora. Wilde planten en hun relaties, deel 2, Deventer Weeda, E.J., Westra, R., Westra, C. & Westra T. 1988: Nederlandse ecologische flora. Wilde planten en hun relaties, deel 3, Deventer. Weeda, E.J., Westra, R., Westra, C. & Westra T. 1991: Nederlandse ecologische flora. Wilde planten en hun relaties, deel 4, Deventer. Weeda, E.J., Westra, R., Westra, C. & Westra T. 1994: Nederlandse ecologische flora. Wilde planten en hun relaties, deel 5, Deventer Willemsen A. 1998: Kinder delijt. Middeleeuws speelgoed in de Nederlanden, Nijmegen. Willemsen A. 2015: Honderden… Van hand tot hand. Handschoenen en wanten in de Nederlanden voor 1700, Zwolle. Willemsen A. & Ernst M. 2012: Honderden… Middeleeuwse mode in metaal. Sierbeslag op riemen en tassen uit de Nederlanden 1300-1600, Zwolle. Wilson A.F., Novey H.S., Berke R.A. & Surprenant E.L. 1973: Deposition of inhaled pollen and pollen extract in human airways, The New England Journal of Medicine 288, 1056-1058. Witteveen j. 1992: Kookboeken over kookgerei. Het kookgerei van de middeleeuwen tot de twintigste eeuw. In: Ruempol A. & van Dongen a. (red.), Quintessens. Wetenswaardigheden over acht eeuwen kookgerei, Rotterdam, 14-32. Wouters W. & Roosens B. 1986: Oude vondsten van het kasteel Jonkholt te Hoelbeek, Archaeo- logia Belgica II-2, 227-240. Ziesemer W. 1916: Das Marienburger Ämterbuch, Danzig. Zimmermann B. 2000: Mittelalterlichen Geschossspitzen. Kulturhistorische, archäologische und archäometallurgische Untersuchungen, Schweizer Beiträge zur Kulturgeschichte und Archäologie des Mittelalters 26, Basel. Bibliography 455 Zimmerman w. h. 1998: Pfosten, Ständer und Schwelle und der Übergang vom Pfosten – zum Ständerbau – Eine Studie zu Innovation und Beharrung im Hausbau. Zu Konstruktion und Haltbarkeit prähistorischer bis neuzetlicher Holzbauten vond den Nord- und Ostseeländern bis zu den Alpen, Probleme der Küstenforschung im südlichen Nordseegebiet 25, 9-241. Zoller H. 1981: Taxus L. In: Markgraf F. (ed.), Gustav Hegi. Illustrierte Flora von Mitteleuropa,Band 1, Teil 2, Berlin, 127-134. Onuitgegeven bronnen: Algemeen Rijksarchief (ARA), Rekenkamers. Delen en banden (registers), Stadsrekeningen Aalst 1395-1786, Algemene Rekeningen. Stadsarchief Aalst (SAA), Archief van het Karmelietenklooster, Liggher ofte Groote Register Anno 1718. Stadsarchief Aalst (SAA), Oud Archief van de Stad Aalst, Rechterlijk Archief, stadsrekeningen. Stadsarchief Aalst (SAA), Oud Archief van de Stad Aalst, Rechterlijk Archief, wettelijke passeringen. Stadsarchief Aalst (SAA), Oud Archief van de Stad Aalst, 155, Register Sint-Jorisgilde, 1335-1583.